Geschiedenis
PREVIEW - UITGEBREIDE BESCHRIJVING VOLGT
Tartessus
De eerste beschaving die zich vestigde in Andalusië achter de Neanderthalers en de vroege homo sapiens was de Fenicische. Toch troffen die een al wat ontwikkelde Iberische cultuur aan, gegroeid uit neolithische stammen uit Afrika. Dit was het mythische koninkrijk Tartessus. Er trad ook vermenging op met Grieken die vooral het noordoosten van Spanje koloniseerden en met Kelten. Tartessus werd vernietigd door Carthago rond 500 v. Chr.
Romeinse periode
Deze Carthagers bleven in Spanje hangen. Met de Punische Oorlogen kwamen de Romeinen in 206 v. Chr. in Spanje, onder leiding van Scipio Africanus. Ze veroverden het en deelden het in in provincies. Andalusië kwam ongeveer overeen met de provincie Baetica, ontstaan uit Hispania Ulterior. Deze provincie werd zeer rijk.
Scipio stichtte in 206 v. Chr. eveneens de stad Italica. Deze stad bracht onder andere de keizers Trajanus en Hadrianus voort, wat gepaard ging met een stevige Spaanse vertegenwoordiging in de Romeinse Senaat. Toch was de hoofdstad Corduba, het latere Cordoba.
Julius Caesar werd in 61 v. Chr. gouverneur van Hispania Ulterior.
Rond 415 wordt Andalusië overspoeld door de Visigoten, die rond 476 het in heel Spanje voor het zeggen hebben. Deze Visigoten worden in 589 tot het katholicisme bekeerd door Sint-Lander en Sint-Isidoor, toen hun koning Reccared zich afkeerde van het arianisme.
Moorse periode
In 710 wordt de Moren gevraagd om tussenbeide te komen in een twist onder de Visigoten. In 711 komen ze terug om te blijven. Hun leider Tarik ben Ziyad slaagt er in een heel stuk te veroveren. Binnen de tien jaar is enkel het noorden nog in handen van de Visigoten. De Moren gaven de naam aan Andalusië, of Al Andalus.
In 756 roept de Moorse leider Abd al-Rahman I zichzelf uit tot emir van een onafhankelijke staat Cordoba. In 785 begon men met de bouw van de Mezquita in Cordoba, een grootse moskee.
Abd al-Rahman III roept in 929 het onafhankelijke kalifaat van Cordóba uit. De Moren waren nu op het toppunt van hun macht en Cordóba werd een waar cultureel centrum en de grootste stad van Europa. Langzaam kwam het rijk in verval en kleine Moorse ministaatjes, de taifas zorgden voor de aftakeling van het kalifaat. Dit eindigde in 1031.
Vanaf dat ogenblik zullen de minder machtige christelijke staatjes in het noorden van het Iberische schiereiland hun kans schoon zien om Moorse gebieden te heroveren in de Reconquista. Zo boekte koning Alfonso VI in 1085 een belangrijke overwinning bij Toledo, wat als het startschot van de Reconquista gezien kan worden. Deze bereikt Andalusië met een overwinning in 1212. De Almohaden werden toen verslagen bij Las Navas de Tolosa.
Cordóba wordt heroverd in 1236. De Moren, meer bepaald de Nasridendynastie, compenseren hun tanende macht met prachtige bouwwerken, zoals het Alhambra in Granada, waarvan de bouw gestart wordt in 1238. Die bouwwerken baten niet veel, want in 1248 wordt Sevilla heroverd door Ferdinand III. Zelfs de christelijke burgeroorlog van Pedro I tegen Hendrik II van Trastámara verandert niet veel.
Als Castilië en Aragón in 1479 verenigd worden door het huwelijk van de Reyes Catholicos, Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië, is het kalf helemaal verdronken voor de Moren. In 1492 wordt de laatste Moorse vesting, Granada, veroverd op de Moor Boabdil. Naar verluit huilde deze toen hij de stad moest overgeven. Hiermee kwam een einde aan bijna 8 eeuwen Moors Andalusië.
Andalusiës bloeitijd
Meteen na de Reconquista starten gouden eeuwen voor Andalusië. Die begint vrijwel onmiddellijk na de val van Granada. Christóbal Colón, beter bekend als Columbus, ontdekte eveneens in 1492 Amerika. Andalusië diende als uitvalsbasis van Spanje naar de Nieuwe Wereld. De rijkdommen kwamen meestal toe in Sevilla, dat als poort op de Nieuwe Wereld steenrijk werd.
Niet iedereen was gelukkig met de gang van zaken. Hoewel de overgebleven Moren verdragen werden en zelfs aan de basis lagen van een bouwstijl, de mudéjarstijl, kwamen ze toch in opstand in 1502 in Las Alpujarras. Ze werden verslagen en werden of bekeerd tot het christendom of verdreven. In 1558 kwamen ze op dezelfde plaats weer in opstand, deze keer eveneens zonder succes. In 1609 volgt de definitieve verdrijving van de Moren door Filips III.
Spanje algemeen
De Habsburgers (1504-1700)

Na de dood van Ferdinand en Isabella kwam Karel I aan de macht, die de Bourgondische landen van zijn vader Filips de Schone had geërfd. Bovendien werd hij in 1519 als Karel V keizer van het Duitse Rijk. Door de ontdekking van Amerika werd Spanje het centrum van het eerste echte wereldrijk, maar was ook voortdurend in conflict met Frankrijk over de hegemonie in Europa. Ook de godsdienstoorlogen als gevolg van de Reformatie lieten Spanje niet onberoerd als leidend land in de Contrareformatie.
Vele Italiaanse bezittingen zorgden ervoor dat Spanje in feite de Middellandse Zee beheerste en verplicht was zich te verdedigen tegen de oprukkende Turken. Binnenlands was er verzet van de steden en de adel tegen de niet-Spaanse politiek en de toenemende macht van de centrale overheid. Dit leidde van 1520 tot 1521 tot de opstand van de Comuneros die echter onderdrukt werd.
In Amerika werd ondertussen een groot koloniaal rijk opgebouwd waarmee vanuit Sevilla handel werd gedreven. Deze inkomsten, naast die van het veelal geroofde goud en zilver, gingen rechtstreeks naar de staatskas en niet naar de ontwikkeling van Spanje als modern land.
De politieke macht van Spanje in Europa kreeg een geduchte knauw tijdens de regering van Filips II. Hij veroverde Portugal nog, maar verloor de strijd tegen de Nederlanden, Engeland en Turkije. In Spanje zelf werden aanhangers van andere dan het katholieke geloof met harde hand uitgeroeid en vervolgd. Vooral marranen, bekeerde joden, en Morisco's, christelijke moslims, hadden hieronder vreselijk te lijden. Zo werden bijvoorbeeld in 1609, tijdens de regering van Filips III, ongeveer 800.000 Morisco's het land uitgejaagd. Dit was echter niet zo'n slimme zet van Filips want hierdoor, samen met de geldverslindende oorlogen, werd Spanje aan de rand van een faillissement gebracht.
Onder Filips IV verslechterde de economische situatie nog verder, want ook hij stortte zich in oorlogen met o.a. Duitsland, Italië en Frankrijk. Extreem hoge belastingen om dit alles te kunnen financieren leidde tot uitbuiting van de eigen bevolking en een aantal opstanden in o.a. Catalonië, Napels en Andalusië waren het logische gevolg. Bovendien wist Portugal zich in 1640 van Spanje los te weken, werden de Noordelijke Nederlanden in 1648 bij de Vrede van Münster onafhankelijk verklaard en moest Roussillion aan Frankrijk en Franche-Comté aan de Zuidelijke Nederlanden worden afgestaan. Op dat moment stelde Spanje als wereldmacht niet veel meer voor.
De Bourbons (1700-1868)

Na de dood van Karel II in 1700 werd Filips V van Bourbon koning van Spanje. Onder deze koning verloor Spanje weer veel grondgebied, zoals Gibraltar, Italiaans grondgebied en de Zuidelijke Nederlanden, maar kreeg weer aanspraken op Napels-Sicilië en Parma in Italië door zijn huwelijk met Elisabeth van Parma. Het door de Bourbons uit Frankrijk meegebrachte centralisme en absolutisme zorgde o.a. voor een langdurige opstand in Catalonië (1702-1714) en de parlementen van Aragón en Castilië werden ontbonden. Onder de verlichte despoot Karel III, die van 1759 tot 1808 heerste, profiteerde het volk weer wat van een toenemende welvaart en een vermindering van de corruptie. Nieuwe oorlogen tegen Engeland zorgden er echter voor dat onder Karel IV en zijn minister Godoy de slechte tijden weer volledig terugkeerden.
Tijdens de Franse Revolutie schaarde Spanje zich eerst aan de zijde van Oostenrijk en Engeland (1793-1795), maar stortte zich in 1796 met de Fransen in een oorlog met Engeland, die alleen door de Vrede van Amiens kort onderbroken werd in 1802-1803. In 1805 werden vlootonderdelen van Spanje verslagen bij Finistère en Trafalgar. In mei 1808 vielen Franse troepen Spanje binnen en deden de koning en zijn zoon onder druk van Napoleon afstand van de troon. De daarop volgende volksopstand in Madrid werd door Murat bloedig onderdrukt en Napoleons broer Jozef Bonaparte werd tot koning van Spanje benoemd.
Als reactie hierop volgde van 1808 tot 1813 een bloedige landelijke opstand die vanuit Portugal gesteund werd door de Britten onder leiding van Wellington, die de Fransen in 1809 bij Talavera de la Reina een zware nederlaag toebracht. In 1812 werd er in Cadiz door de "Cortes" een grondwet uitgevaardigd naar Frans model.
In mei 1813 verliet Jozef Bonaparte Madrid en op 21 juni volgde de beslissende overwinning van Wellington op de Fransen. De "Cortes" trok in januari 1814 Madrid binnen en Ferdinand VII werd op de troon gezet nadat hij de nieuwe grondwet erkend had. Deze Ferdinand trok zich echter niet veel aan van de grondwet en regeerde al snel als een absolute heerser.
In die tijd ontstonden er ook veel onafhankelijkheidsbewegingen in Spaans-Amerika en veel landen maakten zich zonder veel problemen los van Spanje. Uiteindelijk bleven alleen Puerto Rico en Cuba in Spaans-Amerika en de Filippijnen in Azië over als koloniën.
De grondwet werd in 1820 weer hersteld na een militaire staatsgreep (pronunciamiento) door generaal Riego. Een enorm Frans leger, gestuurd door de Heilige Alliantie, wist in 1822-1823 het absolutisme weer te herstellen en er volgde weer een zware tijd voor de burgerij. De gehele 19e eeuw stond verder in het teken van de opstanden en burgeroorlogen tussen reactionairen en liberalen en de tussen de partijen instaande "moderados", de gematigden, die het politieke toneel wisten te beheersen.
Na de dood van Ferdinand in 1833 werd hij opgevolgd door Isabella II onder voogdij van haar moeder Maria Cristina. Don Carlos, Ferdinands reactionaire broer, begon de Eerste Carlistenoorlog die tot 1839 in Noord-Spanje gevoerd werd. Maria Cristina vormde tegen de door het Vaticaan gesteunde Carlisten een links tegenwicht en in 1836 werd het kerkelijk grootgrondbezit verkocht door Mendizabel. De gematigde politici en het hof ontwikkelden zich na de Carlistenoorlog in een rechtse en een klerikale richting, wat slechts onderbroken werd tijdens een liberale tussenperiode van 1854 tot 1856, na een geslaagde militaire staatsgreep van O'Donnell.
Revolutie en restauratie (1868-1923)
In 1868 werd Isabella afgezet en korte tijd opgevolgd door generaal Prim. De "Cortes" stelde een nieuwe grondwet op en koos in 1870 een nieuwe koning, Amadeus van Aosta, die afkomstig was van het Italiaanse koningshuis. Amadeus van Aosta trad in 1873 af waarna de "Eerste Republiek" werd uitgeroepen die tot 29 december 1874 duurde. Er werd een federale grondwet opgesteld en een democratische structuur georganiseerd.
De nieuwbakken republiek kreeg te maken met de Tweede Carlistenoorlog en een opstand met Cartagena als centrum. Ook een anarchistische stroming in de arbeidersbeweging zorgde voor grote problemen in het agrarische Andalusië en het industriële Catalonië. Door een volgende militaire staatsgreep of "pronunciamiento" onder leiding van generaal Martínez de Campos kwam er al snel een einde aan de Eerste Republiek en de zoon van Isabella, Alfons XII, werd tot koning uitgeroepen.
Politiek staat de periode die van 1874 tot 1923 duurde bekend als de "restauratie" en werd gekenmerkt door elkaar afwisselende liberale en reactionaire regeringen. Dit alles was gebaseerd op een betrekkelijk liberale grondwet uit 1876 van Antonio Cánovas del Castillo. Cánovas was een zogenaamde "moderado", een gematigde politicus. Deze "moderados" lieten de liberalen en de reactionairen met elkaar om de macht strijden en bepaalden zelf grotendeels het regeringsbeleid. Het volk had in dit systeem weinig te zeggen op plaatselijk niveau. De plaatselijke en regionale machthebbers hadden het in hun gebied voor het zeggen en de invloed van het volk was minimaal. Dit systeem werd "caciquismo" genoemd waarbij ook nog de kerk haar politieke macht vergrootte.
Cánovas werd in 1897 vermoord en de nederlaag in de Spaans-Amerikaanse Oorlog waardoor ook de laatste koloniën verloren gingen, stortten Spanje in een staat van permanente crisis.
Verschillende bewegingen op politiek, cultureel en nationalistisch gebied lieten luid van zich horen. Zo streefde de "Generatie van '98" naar een politiek en cultureel reveil en een modern Spanje. Nationale bewegingen in Baskenland en Catalonië kregen steeds meer een politiek gezicht en de arbeidersbeweging werd steeds revolutionairder in haar doen en laten.
Liberale kabinetten hadden ondertussen in 1890 gezorgd voor algemeen stemrecht, vrijheid van vakbeweging en een minimale sociale wetgeving. In de praktijk stelde het allemaal echter nog niet veel voor. Internationaal kwam Spanje in een slecht daglicht te staan na het martelen van gevangenen in 1896 en de terechtstelling door een woedende massa van Francisco Ferrer Guardia, een vooruitstrevende voorman van de rationele "moderne school". Verder kwamen Catalonië en Andalusië negatief in het nieuws door soms bloedige sociale conflicten.
Spanje bleef neutraal in de Eerste Wereldoorlog waarbij links sterk sympathiseerde met de geallieerden. Rechts, en dan vooral de kerk, was sterk anti-Frans. Verder profiteerde Spanje vooral economisch door oorlogsleveranties. Na de Eerste Wereldoorlog ontstond in heel Europa een sociaalrevolutionaire beweging die ook Spanje aandeed. De Spaanse regering reageerde in 1919 met het met geweld onderdrukken van een algemene staking en het in de gevangenis gooien van socialistische kopstukken. Later werden zelfs enkele bekende leden van de vakbeweging CNT door politieagenten gedood. 1923 werd een belangrijk jaar. Bij verkiezingen wonnen de socialisten voor het eerst terrein en leed het Spaanse leger een grote nederlaag in Marokko. In datzelfde jaar op 13 september pleegde generaal Primo de Rivera met medeweten en instemming van koning Alfons XIII een staatsgreep.
Dictatuur, Tweede Republiek en burgeroorlog (1923-1939)
Onder Primo werd Spanje een dictatuur waarin de "Cortes" werd ontbonden, o.a. de persvrijheid werd opgeheven en het bestuur sterk gecentraliseerd werd. Vanaf 1929 nam de weerstand tegen dit regime toe en in januari 1930 trad Primo af en werd opgevolgd door generaal Berenguer. Na de gemeenteraadsverkiezingen van april 1931 kregen alle grote steden een republikeins bestuur en dat was voor Alfons XIII het teken om het land te verlaten waardoor Spanje vrij geruisloos wederom een republiek werd.
Deze zogenaamde Tweede Republiek duurde tot 1939 en opnieuw werd er een grondwet opgesteld, deze keer met een progressief democratisch karakter. President werd Alcalá Zamora en Manuel Azaña van de Acción Republicana werd premier. Belangrijk in deze periode was dat de scheiding van kerk en staat geregeld werd en dat het onderwijs alleen nog door leken gegeven werd. Ook werd Catalonië in 1932 autonomie met een eigen regering gegeven en in 1936 volgde Baskenland. Afschaffing van het grootgrondbezit, de hervorming van het leger en sociale kwesties verliepen traag of werden totaal niet aangepakt. Arbeidersbewegingen vervreemdden zich al snel van de republiek en de logische stakingen en anarchistische revoltes werden bloedig neergeslagen.
De verkiezingen van november 1933 werden gewonnen door rechts, maar de opeenvolgende rechtse regeringen bakten er niet veel van en deze twee jaren werden dan ook de "bieno negro", twee zwarte jaren genoemd. In 1934 volgde een confrontatie tussen arbeidersbewegingen en het leger in Asturië en dat zou de voorbode van de latere burgeroorlog blijken te zijn. Vele duizenden opstandelingen verdwenen in de gevangenis en Catalonië verloor zijn autonomie, nadat het zelf de onafhankelijkheid had uitgeroepen.
Republikeinse en linkse partijen, verenigd in het Volksfront, wonnen de parlementsverkiezingen in februari 1936 en Manuel Azaña werd president. De regering kwam meteen in grote problemen toen de socialisten niet aan de regering wilden deelnemen, en er volgde een zeer onrustige periode met o.a. stakingen en politiek geweld door vooral de Falange, een kleine maar sterk groeiende fascistische beweging.
Intussen bereidde rechts zich voor op een staatsgreep. Deze werd door elementen uit het leger ingezet op 17 juli 1936 vanuit Spaans-Marokko. De arbeiders verzetten zich hier fel tegen en de Spaanse Burgeroorlog was een feit. De burgeroorlog eindigde op 1 april 1939 met een overwinning van de "nationalisten" van generaal Francisco Franco Y Bahamonde, die al sinds 1936 de leider was van rebellerende generaals. De trieste balans van de burgeroorlog telde honderdduizenden mensen mishandeld, gedood of gevangen gezet.
Het Spanje van Franco (1939-1975)

Franco was een alleenheerser die gesteund werd door de enige toegestane politieke beweging, de rechtse Falange, en door het leger en de kerk. Het zogenaamde "franquisme" wilde maar een ding: de herleving van het katholieke Spanje in zijn oude glorie en het afzweren van alle krachten en binnenlandse en buitenlandse vijanden die die oude glorie hadden laten verdwijnen. Dit gebeurde niet al te zachtzinnig en trof o.a. Catalanen, Basken en arbeidersbewegingen.
Het sociaaleconomische leven werd beheerst door verticaal georganiseerde syndicaten naar fascistisch-corporatief model, maar veroorzaakte lange tijd armoede, honger, corruptie (zwarte markt), economische stagnatie en cynisme. Economisch bereikte Spanje pas in 1956 weer het peil van 1936. Alle illegale organisaties en ballingen konden het regime niet serieus bedreigen.
In de Tweede Wereldoorlog steunde Franco Duitsland en Italië, aan wie hij zijn overwinning in de Spaanse burgeroorlog mede te danken had. Spanje zelf werd geen oorlogsgebied; wel nam een vrijwilligersleger, de Blauwe Divisie, deel aan de strijd tegen de Sovjet-Unie.
In 1943 al benoemde hij de monarchist Jordana als minister van buitenlandse zaken en in 1947 herstelde hij formeel de monarchie zonder een koning te benoemen. Na 1945 kwam Spanje in een isolement terecht en het Franco-bewind werd door de Verenigde Naties veroordeeld. Pas halverwege de jaren vijftig kwam Spanje uit dit isolement door de toetreding in 1955 tot de Verenigde Naties en in 1959 tot de OEES, de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, de voorloper van de OESO. Economisch ging het vanaf 1953 weer wat beter door een aantal economische verdragen met de Verenigde Staten. De Spaanse koloniën Marokko, Spaans-Guinea (nu: Equatoriaal Guinee) en Spaans Sahara (nu: Westelijke Sahara) werden in respectievelijk 1956, 1968 en 1975 zonder veel strijd opgegeven. De kleinzoon van Alfons XIII, Juan Carlos de Bourbon, werd in 1969 door Franco tot zijn opvolger aangewezen. Juan Carlos werd zelfs onder toezicht van Franco opgevoed.
In de jaren zestig veranderde de Spaanse samenleving door een toestroom van buitenlands kapitaal, de opkomst van het toerisme en door de Spaanse gastarbeiders die veel geld mee naar huis brachten. Door al deze ontwikkelingen namen industrialisatie en verstedelijking sterk toe en groeide de economie voorspoedig. Door de modernisering werd de invloed van de Falange en het systeem van de syndicaten steeds minder belangrijk.
Ook binnen het regime van Franco werd steeds meer gestreefd naar liberalisering van het systeem. Zo bezette de modernistische rooms-katholieke lekenorganisatie Opus Dei belangrijke economische regeringsposten en kwamen nieuwe oppositiebewegingen opzetten. In Catalonië leefde het nationalisme weer op en in het Baskenland bond een nieuwe bevrijdingsbeweging, de ETA, de gewapende strijd aan met de gevestigde orde. Vele terreuraanslagen zouden volgen en het regime trad zeer hard op tegen de ETA en andere terreurgroepen
In 1973 werd premier Carrero Blanco, de tweede man van het regime achter Franco, gedood bij een aanslag van de ETA, en op 20 november 1975 overleed dictator Franco zelf.
Spanje wordt een parlementaire democratie

Op 22 november 1975 werd koning Juan Carlos beëdigd. Hij effende tot ieders verrassing meteen de weg naar een parlementaire democratie die via een aantal referenda langs wettelijke weg werd gerealiseerd. De laatste premier van Franco, Arias Navarro, werd opgevolgd door Adolfo Juarez die de periode van overgang ("transición) begon. Alle burgerlijke vrijheden werden weer toegestaan, ballingen keerden terug en verboden partijen als de socialistische en de communistische werden gelegaliseerd.
In 1977 werden voor het eerst sinds 1936 weer vrije parlementsverkiezingen gehouden die werden gewonnen door de UcdD, Unie van het Democratisch Centrum, onder leiding van premier Suarez. Tweede partij werd de PSOE onder leiding van Felipe González.
De nieuwe grondwet van 1978 maakte van Spanje officieel een parlementaire democratie. Ook de verkiezingen van 1979 werden gewonnen door de partij van Juarez en begin jaren tachtig werden eerst Catalonië en Baskenland en daarna alle andere regio's autonoom. De ETA van Baskenland wilde echter meer en zette dat kracht bij met meer aanslagen. Ook in het leger waren er bepaalde elementen tegen de verdergaande democratisering. Op 23 februari 1981 volgde er een poging tot een militaire staatsgreep onder leiding van een kolonel van de Guardia Civil, Tejero. De poging mislukte doordat koning Juan Carlos, als opperbevelhebber van de strijdkrachten zich krachtig verzette tegen deze couppoging.
Periode Felipe González

Net voordat de coupepoging plaatsvond was Suarez opgevolgd door L. Calvo Sotelo. De parlementsverkiezingen van 1982 werden gewonnen door de PSOE en de rechtse alliantie werd nu de belangrijkste oppositiepartij. Felipe González werd de nieuwe premier en hoewel zijn eerste regeerperiode geteisterd werd door corruptieschandalen wist hij ook de verkiezingen van 1986 en 1990 te winnen. Het verwachte vernieuwingsproces en het terugdringen van de werkloosheid bleven onder zijn bewind uit. Na een referendum trad Spanje in 1982 toe tot de NAVO en in 1986 tot de Europese Gemeenschap.
In 1992, 500 jaar na Columbus' ontdekking van Amerika, stond Spanje wereldwijd in de belangstelling door de Olympische Spelen die in Barcelona gehouden werden en door de Wereldtentoonstelling die in Sevilla gehouden werd. In 1992 en 1993 werden er verschillende belangrijke ETA-kopstukken gearresteerd en ook de Baskische bevolking keerde zich steeds meer af van de terreurorganisatie. De regering-González kreeg het ondertussen steeds moeilijker door financiële en politieke schandalen en kon alleen nog maar doorregeren met de steun van Baskische en Catalaande nationalisten die in ruil daarvoor nog meer autonomie eisten.
In mei 1995 werden er gemeentelijke en provinciale verkiezingen gehouden die werden gewonnen door de conservatieve Volkspartij (PP) van oppositieleider José María Aznar. In december werd de minister van Buitenlandse Zaken, Javier Solana, benoemd tot secretaris-generaal van de NAVO. Vervroegde verkiezingen in maart 1996 voor beide kamers werden net gewonnen door de PP voor de PSOE. Er kwam een minderheidsregering onder leiding van premier Aznar, die steunde op een alliantie met Baskische en Catalaanse partijen samen met de Canarisch Eilandencoalitie. Ook nu kwam deze alliantie tot stand na toezeggingen voor meer autonomie.
De periode Aznar

De economische politiek van de regering-Aznar was gericht op een stabiele economische groei en men wilde voldoen aan de voorwaarden om te mogen toetreden tot de Economische en Monetaire Unie (EMU). Door bezuinigingen en privatiseringen lukte het om aan de voorwaarden te voldoen. De economische groei bedroeg in 1998 3,5% en de inflatie bleef constant laag met 2,4%. Op 1 januari werd Spanje dan ook toegelaten tot de EMU. Het enige waar de regering-Aznar niet in slaagde was het terugdringen van de grote werkloosheid.
De ETA voerde ondertussen steeds meer aanslagen uit ondanks massale demonstraties tegen het politieke geweld. De veroordeling van 23 leiders van Herri Batasuna (HB), de politieke arm van de ETA, leidde eind 1997 tot nieuwe confrontaties tussen de voor- en tegenstanders van Baskische onafhankelijkheid.
Begin 1998 volgden er weer demonstraties in verschillende Baskische steden tegen het vonnis, en ook de aanslagen tegen plaatselijke PP-politici werden geïntensiveerd. Een probleem was dat de verschillende politieke partijen het niets eens waren over de strategie ten opzichte van de ETA. De Baskische Partido Nacionalista Vasco (PNV) bleef van mening dat alleen onderhandelingen met Herri Batasuna tot succes zouden kunnen leiden. De PP en de PSOE waren het hier echter niet mee eens en de regering–Aznar koos dan ook voor de harde lijn. In maart 1998 werden er weer acht ETA-leden van het beruchte Araba-commando gearresteerd en enkele maanden later werd de Baskische krant Egin verboden en het verwante radiostation Egin-Irratia uit de lucht gehaald. Naar aanleiding van het zogenaamde "Iers overleg" wisten de nationalistische Baskische partijen de ETA ertoe te bewegen een wapenstilstand in te stellen voor de deelverkiezingen in Baskenland, die op 25 oktober zouden plaatsvinden. De PP en de PSOE behaalden verrassend een kleine winst maar de nationalistische partijen behaalden nog steeds een meerderheid. Rechtstreekse onderhandelingen met de ETA werden in november door de regering-Aznar aangekondigd.
In 1997 kwam González wederom in opspraak vanwege zijn vermeende aandelen in een aantal corruptie-gevallen en illegale activiteiten. In juni 1997 trad hij af als partijleider en werd tijdelijk vervangen door de ex-minister Joaquín Almunia. In april 1998 werd de ex-minister van Openbare Werken, José Borelli, de nieuwe partijleider van de PSOE.
Later dat jaar kwamen politici van de regerende PP negatief in het nieuws wegens beschuldigingen van corruptie en in december trad Spanje toe tot de NAVO. Deze nieuwe gevallen van corruptie brachten de regering-Aznar in verlegenheid want zij had beloofd aan de corruptiepraktijken een einde te maken.
De laatste jaren van de 20e eeuw kwam de kwestie rondom de Engelse enclave Gibraltar weer om de hoek kijken. De regering-Aznar stelde voor om na een overgangsperiode van honderd jaar, waarin Gibraltar onder Spaans-Brits bestuur zou komen te staan, de kolonie aan Spanje over te dragen.
In maart 1999 opnieuw spanningen tussen Groot-Brittannië en Spanje vanwege Gibraltar. Spanje beschuldigde Groot-Brittannië ervan dat zij onvoldoende toezicht hielden op de georganiseerde misdaad waardoor Gibraltar een vrijhaven voor criminelen zou zijn geworden. Groot-Brittannië ontkende echter alles en stelde dat de aantijgingen bedoeld waren om de Spaanse claim op Gibraltar kracht bij te zetten. Spanje antwoordde met verscherpte grenscontroles. De in 1998 aangekondigde wapenstilstand met de ETA werd eind 1999 alweer eenzijdig opgezegd door de ETA.
Internationaal kwam Spanje in het middelpunt van de belangstelling te staan door het internationale arrestatiebevel voor de Chileense ex-dictator Pinochet, dat was uitgevaardigd door de Spaanse rechter Baltazar Garzón. Op 16 oktober 1998 werd Pinochet in Londen gearresteerd.
In maart 2000 behaalde Aznars partij een grote verkiezingsoverwinning en leed de PSOE zijn grootste nederlaag in meer dan twintig jaar. In april formeerde Aznar een nieuw kabinet, waarin veel ministers op dezelfde post bleven.
De periode Zapatero
Sinds de verkiezingen van 14 maart 2004 is de socialistische partij 'PSOE' als regeringspartij aangetreden met José Luis Rodríguez Zapatero als MP. De verkiezingen werden drie dagen na de bomaanslagen in Madrid (11 maart) gehouden. De regering van MP-Zapatero zet in vergelijking met het beleid van de vorige regering Aznar sterker in op sociaaldemocratische thema's: verhoging van het minimumloon en het basispensioen, wetgeving tegen huiselijk geweld en genderdiscriminatie en hervorming van de regelgeving m.b.t. echtscheiding. De meest in het oog springende hervorming is de invoering van het homohuwelijk op 30 juni 2005. Zapatero wint ook de parlementsverkiezingen van maart 2008 en formeert in april een nieuw kabinet waar voor het eerst meer vrouwen dan mannen zitting hebben.
ANDALUSIE LINKS
• Sevilla Hotels
• Eliza was here: sfeervolle reizen naar Andalusië
• Meer dan 100 bijzondere vakantiehuizen met privé zwembad in Andalusië
• Granada Hotels
• Spanje Hotels
• Bungalows in Andalusië
Andalusië Foto's Kees Hulsen
Andalusië Info (N+E)
Andalusie Startnederland (N+E)
Leven in Andalusië (N)
Recepten Spanje (N)
Romans over Andalusië (N)
Telefoongids Spanje
Willgoto Spanje (N)
Hotels in ANDALUSIE
Schrijf uw artikel over ANDALUSIE
Bronnen
www.landenweb.net/spanje
www.wikipedia.org
Oosterman, I / Costa Del Sol, Andalusië
laatst bijgewerkt juli 2008
Samensteller: Arie Verrijp