| De heilige maagd van Urkupiña | Bolivia Reisverslag |
Bolivia heeft een gebrekkige infrastructuur, geen uitgang naar zee, een onevenwichtige sociale structuur, slecht opgeleid personeel en zowel binnenlands als vanuit het buitenland wordt er weinig in het land geïnvesteerd en dit zijn natuurlijk allemaal belemmeringen voor de economische ontwikkeling. Gemeten naar het zeer lage bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking ($ 800 in 1997) is Bolivia een van de armste landen van Latijns- Amerika. De buitenlandse schuld bedroeg in 1999 $5,7 miljard. Tachtig procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens en de boerenbevolking op het platteland zelfs 97%. Tot het begin van de jaren tachtig kende Bolivia een periode van langzame economische groei. Dit leidde tot een hyperinflatie (geldontwaarding) van meer dan 11.000% in 1985!!.
Een streng bezuinigings- en saneringsprogramma leidde vanaf 1986 tot een geringere inflatie van 7% in 1997, maar ook tot een daling van het levenspeil voor een groot deel van de bevolking. Tussen 1981 en 1988 daalde het bnp per hoofd van de bevolking met 26,3%. Verder zijn er ook nog de illegale inkomsten uit cocaïne, die niet te verwaarlozen zijn, integendeel. Men schat deze inkomsten op ca. $600 miljoen per jaar en andere lucratieve smokkelactiviteiten worden geschat op 15% van het bnp. Door het verloren gaan van veel arbeidsplaatsen in de diverse economische sectoren is de werkgelegenheid in de informele sector enorm toegenomen. Een groeiend gedeelte van de bevolking verdient geld met straathandel, schoenen poetsen, loten verkopen, geld wisselen en taxi-rijden met de eigen auto
De belangrijkste sectoren zijn de handels-, transport- en dienstensector. De landbouw blijft hier ver bij achter. Officieel is meer dan 20% van de beroepsbevolking werkloos, maar in feite zal dit cijfer veel hoger uitvallen door de verborgen werkloosheid, vooral op het platteland. Men hoopt dat de economische groei aantrekt door o.a. een nieuwe pijplijn voor de export van gas naar Brazilië. Verder worden er nog steeds nieuwe aardgasvelden ontdekt. In september 1998 keurden de Wereldbank en het IMF een pakket van schuldkwijtschelding goed ter hoogte van $760 miljoen. Bolivia is daarmee het tweede land dat kon profiteren van een speciaal programma voor lage- inkomenslanden met hoge schulden. Bolivia is sterk afhankelijk van ontwikkelingshulp. In 1997 ontving Bolivia $588 miljoen aan ontwikkelingsgelden.
Ongeveer 20% van het landoppervlak is in beginsel geschikt voor akkerbouw, maar hiervan is slechts 3% in gebruik. In de oostelijke laagvlaktes, met name rond Santa Cruz, vinden we grootschalige, industriële landbouwprojecten bedoeld om de export te bevorderen. Daar worden een half miljoen hectares met sojabonen, tarwe, gerst, maïs, zonnebloemen, rijst, suikerriet en katoen verbouwd. De klimatologische omstandigheden zijn daar zo goed dat er twee keer geoogst kan worden. Het lukt echter nog niet om dit goed van de grond te krijgen.
In de berggebieden en op de hoogvlakte wordt veel voor eigen gebruik geproduceerd. Wat overblijft wordt verhandeld of geruild. Belangrijke agrarische gebieden zijn: de Altiplano, (aardappelen, quinoa, gerst en bonen), de Yungas, de noordoostelijke helling van de Cordilleras (tarwe, maïs, bananen, groenten, citrusvruchten, koffie, cacao en coca), de oostelijke Llanos (suikerriet, katoen en rijst) en het tropisch regenwoud (houtsoorten, rubber en kinabast).
Vanaf de jaren zeventig is de van oudsher door indianen verbouwde coca het belangrijkste landbouwgewas geworden. Om in de traditionele behoefte te voorzien is de teelt van coca toegestaan door de regering. De productie van coca overstijgt echter de binnenlandse vraag vele malen. Het overschot wordt gebruikt om cocaïne te maken. In 1984 werd naar schatting 75% van de cultuurgrond gebruikt voor de verbouw van cocaplanten. Ca. 300.000 mensen vinden een bestaan door het verbouwen van coca. De illegale handel levert ongeveer de helft op van totale export. Toch kijkt men naar andere manieren om de coca te verbouwen, b.v. als medicinaal product. Ook probeert men de cocaplantages te vervangen door lucratieve fruitplantages. Sinds 1987 krijgt Bolivia van de Verenigde Staten financiële steun om het areaal coca te verminderen. Boeren die hieraan meewerken worden financieel gecompenseerd.
De landbouw staat over het algemeen technologisch op een laag peil en de sterke versnippering van het grondbezit, vooral op de Altiplano en in de dalen, vormt nog steeds een groot probleem. Bovendien staan de veelal gebrekkige transportmogelijkheden, de bodemerosie en de extreme weersomstandigheden een verdere ontwikkeling van de landbouw in de weg. Toch werkt in de landbouw ca. 45% van de beroepsbevolking.
Veehouderij wordt steeds belangrijker, vooral de zuivelproductie in de buurt van Cochabamba; verder worden als lastdieren en voor de wol schapen, vicuña's en andere kameelachtigen gehouden op de Altiplano. Runderen en varkens worden vooral gehouden in de Llanos. Het departement Beni spant met zo’n 1,3 miljoen stuks vee de kroon. Het grootste deel van de vleesproductie is bestemd voor de binnenlandse markt, en dan vooral voor de grote steden. In 1996 bestond de veestapel uit ca. 6 miljoen runderen, 300.000 paarden, 700.000 ezels en muilezels, 2,5 miljoen varkens, 8 miljoen schapen, 1,5 miljoen geiten en 59 miljoen kippen.
De bosbouw levert hardhout, rubber en kina. Bossen beslaan ca. 45% van het totale landoppervlak. De houtproductie bedroeg in 1997 ca. 2,3 miljoen m3. Visserij op het Titicaca-meer en enkele andere meren en rivieren levert een kleine bijdrage aan het voedselpakket. In 1997 werd er in totaal meer dan 6000 ton vis gevangen. Zeevis wordt ingevoerd uit Peru en Chili.
Traditioneel vormde de mijnbouw de basis van de Boliviaanse economie. Tot 1979 was Bolivia na Maleisië de grootste tinproducent ter wereld. Vanaf 1985 daalde de wereldmarktprijs snel en viel de tinproductie tot eenderde terug. De verouderde Boliviaanse mijnen zijn door hun lage productiviteit en het lage tingehalte van het erts niet langer rendabel te exploiteren. Ook de geïsoleerde ligging, het gemis van een eigen haven en de gecompliceerde winning van mineralen en delfstoffen zorgde er o.a. voor dat de winning van zilver en tin niet meer loonde. Vanaf 1985 zijn veel tinmijnen gesloten of geprivatiseerd. Privatiseren betekende in dit geval dat een aantal mijnwerkers voor eigen rekening ging werken en zo ontstonden er duizenden kleine ondernemers die zich met het winnen van tin, zilver en goud gingen bezighouden. Meer dan de helft van de tinproductie is afkomstig uit de mijnen ten zuiden van Oruro; de mijn van Catavi bij Llallagua is nog steeds de grootste tinmijn ter wereld.
Andere belangrijke minerale delfstoffen zijn lood, zink, koper, antimoon, goud, zilver, wolfram en bismut. De in 1952 opgerichte staatsmaatschappij COMIBOL exploiteerde tot halverwege de jaren tachtig naast de grootste tinmijnen de meeste vindplaatsen van andere minerale ertsen. De export van vaste delfstoffen vormt nog steeds de belangrijkste bron van buitenlandse deviezen. Hoewel de mijnbouw nog steeds de ruggengraat van de Boliviaanse economie vormt, werkt slechts 5% van de beroepsbevolking is de mijnbouw.
Voorts is er winning van aardolie en aardgas. De belangrijkste aardolievelden liggen in de omgeving van Camiri en ten zuiden hiervan tot aan de grens met Argentinië. De staatsoliemaatschappij YPFB heeft alle aardoliewinning onder haar beheer. De belangrijkste winplaats van aardgas ligt bij Yacuiba in het zuiden van Bolivia. De winning van aardolie is de laatste jaren sterk verminderd door uitputting van de reserves. De productie is daarom nauwelijks voldoende om aan het binnenlandse verbruik te voldoen. De winning van aardgas is succesvoller. De helft van de jaarlijkse productie van ca. 5 miljard m3 wordt uitgevoerd via pijpleidingen naar Argentinië en Brazilië. In 1998 werden nieuwe grote gasvelden ontdekt waardoor Bolivia nog ten minste gedurende twintig jaar gas aan Brazilië zal kunnen leveren. Begin jaren negentig zorgde de export van gas voor veel van de Boliviaanse exportinkomsten.
De industrie is nog weinig ontwikkeld, het is zelfs de minst ontwikkelde van Zuid-Amerika; de meeste duurzame consumptiegoederen moeten worden ingevoerd. Door een gecoördineerd industriebeleid in het kader van het Andespact en door nauwere samenwerking met Brazilië probeert Bolivia het nadeel van een kleine en weinig koopkrachtige binnenlandse markt te compenseren.
De belangrijkste industriële activiteiten zij de drank- en voedselindustrie, smelterijen, metaalindustrie en aardolieraffinaderijen. De belangrijkste industriële centra zijn La Paz, Oruro, Santa Cruz en Cochabamba. De behoorlijk grote energiereserves in de vorm van waterkracht worden nog onvoldoende benut; in het midden van de jaren negentig was het geïnstalleerde vermogen van de elektriciteitscentrales bijna 1000 megawatt. Tweederde van de energie wordt geleverd door waterkrachtcentrales. Grote delen van het land hebben nog steeds geen aansluiting op het lichtnet.
De export bestaat voornamelijk uit grondstoffen en wat landbouwproducten. De belangrijkste producten zijn aardgas (12% van de totale exportwaarde), delfstoffen (48%), hout (3,4%) en koffie (2,1%). De (illegale) export van coca in 1995 werd geschat op $600 miljoen, en dat is ongeveer net zoveel als de totale legale export. De belangrijkste afnemers zijn de Verenigde Staten (vooral tin en andere metalen), Argentinië (vooral aardgas), Groot-Brittannië, Peru en Colombia. De totale export bedroeg in 1999 $1,1 miljard.
De invoer bestaat vooral uit machines en andere kapitaalgoederen, duurzame consumptiegoederen, grondstoffen en halffabrikaten. In 1999 werd er voor $1,6 miljard aan goederen geïmporteerd. De belangrijkste importpartners zijn de Verenigde Staten, Japan, Brazilië, Argentinië, Chili en Peru. De import en export van goederen gebeurt grotendeels via de havens van Arica en Antofagasta in Chili, Mollendo-Matarani in Peru en La Quiaca aan de Boliviaans-Argentijnse grens.
De gebrekkige transportmogelijkheden vormen een belangrijk probleem bij de ontwikkeling van Bolivia; in grote delen van het land is het traditionele vervoer per muilezel of lama vaak de enige mogelijkheid. Het spoorwegnet - sinds 1964 door de staat geëxploiteerd - bestaat uit twee gescheiden netten, in totaal bijna 3800 km lang, die verbinding geven met havens in Chili, Peru, Argentinië en Brazilië. Het “hoogland-systeem” is vooral belangrijk voor het vervoer van ertsen naar de kust van de Stille Oceaan; het “laagland-systeem” is zeer belangrijk voor de ontsluiting van de Oriente, de tropische gebieden. Om deze twee netten met elkaar verbinden zou 480 km nieuwe spoorwegen aangelegd moeten worden. De kosten hiervan bedragen $1,5 miljard, wat natuurlijk veel te veel is voor het arme Bolivia. Door het verouderde spoorwegnet zijn vertragingen van meer dan 24 uur geen uitzondering.
Van het ruim 41.000 km lange wegennet is maar een kwart onder alle weersomstandigheden bruikbaar. De belangrijkste wegverbindingen zijn de weg van Cochabamba naar Santa Cruz en het maar gedeeltelijk verharde deel van de Panamerican Highway, die naar de grens met Argentinië loopt. In het kader van de ontsluiting van de tropische gebieden zijn in de jaren zeventig veel ontsluitingswegen aangelegd. Men hoopt in 2010 elf internationale snelwegen gerealiseerd te hebben. Er is verder een zeer uitgebreid net van autobusdiensten.
Bolivia was een van de eerste landen in Latijns-Amerika waar het vliegtuig een belangrijk verkeersmiddel werd. De nationale luchtvaartmaatschappij Lloyd Aéreo Boliviano (LAB) verzorgt meer dan 40% van de binnenlandse vluchten. Het overige deel van de markt wordt bediend door een reeks van kleine vliegtuigmaatschappijtjes. De internationale luchthaven van La Paz (El Alto) is de hoogstgelegen burgerluchthaven ter wereld (4085 m). Ook Santa Cruz heeft een internationale luchthaven.
Binnenscheepvaart op het Titicaca-meer is van betekenis voor de verbinding met Peru. Ongeveer 14.000 km bevaarbare rivieren verbinden het noorden en het oosten van Bolivia met de Amazone. De belangrijkste rivieren zijn Madre de Dios, Beni, Mamoré, Guaporé, Pilcomayo en Desaguadero. Zeehavens mag Bolivia gebruiken in Argentinië en Peru. Pijpleidingen zijn van groot belang voor het vervoer van aardolie en aardgas.
Hoewel het aantal toeristen gestaag toeneemt (in 1997 ca. 375.000) zijn de inkomsten daaruit nog niet van groot belang voor de Boliviaanse economie. De totale inkomsten uit het toerisme bedroegen dat jaar $180 miljoen. Men hoopt het aantal toeristen en de inkomsten uit het toerisme binnen enkele jaren op zijn minst te verdubbelen.
• Op vakantie naar Bolivia? O.a. overzicht met reisorganisaties.
Bijl, Y. van der / Reishandboek Bolivia Lindert, P. van / Bolivia : mensen, politiek, economie, cultuur Schimmel, K. / Bolivia Sprey, J. / Bolivia Te gast in Bolivia
Elmar, 1994
Novib, 1994
Chelsea House Publishers, 1999
Gottmer, 1996
Informatie Verre Reizen, 1998