Ongeveer 70.000 Esten zijn werkzaam in de agrarische sector. Voor de Esten, die zichzelf "maarahvas", volk van het land noemden, een gering aantal gezien het verleden als een agrarische plattelandseconomie. De jaren dertig waren wat dat betreft hoogtijdagen voor de Estische agrariërs.
Tijdens de Sovjetbezetting werden de boerenbedrijven genationaliseerd en gecollectiviseerd. In 1949 waren er van de 140.000 boerenbedrijven nog maar 2400 staatsbedrijven over. Na de onafhankelijkheid werden de bedrijven weer geprivatiseerd. Daarmee kwam een groot minpunt, de inefficiënte werkwijze, weer aan het licht. Dit komt vooral door de versnippering van de grond. Ook het investeren in moderne maar dure landbouwmethodes en -machines is een groot probleem. De agrarische productie liep in de jaren '90 dan ook gestaag terug. Een kwart van de plattelandsbevolking raakte werkloos. De belangrijkste gewassen zijn gerst, andere granen, aardappelen en groenten.
Er zijn zeer veel veeteeltbedrijven en vlees, melk, eieren en boter zijn belangrijke producten. De voedingsindustrie voorziet in de eigen behoefte. De visindustrie heeft het in zich om een belangrijke sector te worden. Estland heeft 230 schepen, waarvan er 90 vissen in internationale wateren. Een groot gedeelte van Estlands levensmiddelenindustrie bestaat uit vis en visproducten. In 1992 werd er ongeveer 131.000 ton levende vis gevangen.
Estland heeft goed opgeleide, technisch geschoolde arbeiders die naar West-Europese maatstaven laag betaald worden. Hierdoor is het voor buitenlandse bedrijven zeer interessant om in de Estische economie te investeren. Bedrijven uit met name Finland, Zweden en de Verenigde Staten investeren veel in de houtindustrie, de textielindustrie en verwerkende industrieën. Amerikanen en Finnen investeren met name in de computerindustrie, elektronica en de auto-industrie. Estland is voor 40% bedekt met bossen (1,8 miljoen ha). De exploitatie levert hout op voor de meubelindustrie, voor de papierfabricage en is een belangrijke brandstof. De houtindustrie draagt voor 12% bij aan het BNP en is een van de industrieën met de beste vooruitzichten. Door flinke buitenlandse investeringen bloeit de machine-industrie en de elektronica-industrie op. In 1995 waren dit de meest uitgevoerde producten (elektromotors, kabels en hightech producten). De textielindustrie exporteert vooral naar de Verenigde Staten en Europese landen.
Estland heeft grote fosforvoorraden die o.a. gebruikt worden in de kunstmestproductie. De chemische industrie produceert verder o.a. plastics, verf en lakken.
Estland is in korte tijd een exportland bij uitstek geworden. Estland exporteert voornamelijk naar Finland, Zweden, Rusland, Letland en Duitsland. In 1999 werd er voor ongeveer $2,5 miljard uitgevoerd. Uitgevoerd werden voedingsmiddelen, textiel, hout en houtskool. Ingevoerd werden machinebouwproducten, voedingsmiddelen, minerale producten en textiel, vooral uit Finland, Rusland, Zweden en Duitsland. In 1999 werd er voor ongeveer $3,4 miljard ingevoerd. De handel met de Russen daalde dramatisch na de onafhankelijkheid, van 70% naar 15%. Pas sinds enkele jaren gaat het wat dat betreft weer wat beter.
Estland heeft een goede infrastructuur met goede en voldoende wegen en spoorlijnen. Het verharde wegennet telt 14.800 km. Één grote snelweg, de "Via Baltika", loopt door de drie Baltische staten. Het spoorwegnet telt 1026 km, waarvan 132 km geëlektrificeerd, die alle belangrijke steden en industriegebieden met elkaar verbindt.
De havens van Estland zijn van levensbelang voor het landelijk transportsysteem. De zeehavens Tallinn en Nieuw-Tallinn (20 km oostelijker) slaan maar 5% eigen producten om. De grootste binnenhaven is Tartu. Er werden in 1991 10 miljoen ton aan goederen verscheept.
Er zijn zes vliegvelden en landingsbanen op de drie eilanden. Voor het internationale verkeer is er de luchthaven van de hoofdstad Tallinn. Sinds 1992 heeft Estland een nationale luchtvaartmaatschappij, Estonian Air.
Al eind jaren tachtig was het toerisme een groeisector. Na de onafhankelijkheid werd dit nog duidelijker. Estland werd beter bereikbaar door de lucht en over het water, wat het aantal bezoekers uit met name West-Europa deed toenemen. In 1990 kwamen er ongeveer 500.000 toeristen naar Estland. Midden jaren negentig was dit aantal al gestegen tot meer dan één miljoen! Er werden snel nieuwe accommodaties gebouwd en men kwam met de andere Baltische staten overeen dat men slechts één visum nodig had voor de drie landen. Estlands grootste trekpleister is de middeleeuwse binnenstad van Tallinn en verder Tartu en het eiland Saaremaa. De meeste toeristen komen van Finland en Zweden.
Gedurende de Sovjetperiode mochten er geen toeristen het land in. Dit duurde tot 1960 en ook daarna was het moeilijk om het land te bezoeken.
• Tallinn Hotels
• Estland Hotels
| Laulasmaa | Viljandi | Pärnu | Laagri |
| Tartu | Mändjala | Haapsalu | Võru |
| Kabli | Tallinn | Narva | Kuressaare |
| Simisti | |||
| Alle Hotels in ESTLAND | |||
Estonia, Latvia, and Lithuania: country studies Spilling, M. / Estonia Taylor, N. / Estonia Williams, N. / Estonia, Latvia & Lithuania
Federal Research Division, Library of Congres, 1996
Marshall Cavendish Corporation, 1999
Bradt Publications, 1999
Lonely Planet, 2000