Litouwen behoort met de andere Baltische republieken en tot het Baltische economische gebied. Van oudsher zijn land- en bosbouw het belangrijkste bestaansmiddel, maar na de Tweede Wereldoorlog is de industrie sterk opgekomen en heeft er daardoor een sterke migratie van het platteland naar de stad plaatsgehad (in 1937 woonde 23% van de bevolking in de steden; in 1994 was dit 71%). Bijna de helft van de totale oppervlakte van het land is in gebruik als akkerland (49,1%); verbouwd worden o.m. granen, vlas, aardappelen, suikerbieten en groenten. De landbouwsector zorgde in 1998 voor 10% van het bnp.
Begin jaren negentig werd de landbouwsector grondig gereorganiseerd. Privé-land werd weer toegestaan en de grote staatsbedrijven werden opgedeeld in kleine, gemiddeld 8,8 ha grote bedrijven, die vaak economisch onrendabel waren. De landbouwproductie daalde in de periode 1989 tot 1992 dan ook met 50%!
Van de oppervlakte is 16,3% bedekt met bos, grotendeels naaldbossen; de houtopbrengst is ca. 2,5 miljoen m3 per jaar.
Als delfstoffen bezit Litouwen diverse gesteenten (gips, kalk, dolomiet) die geschikt zijn voor het maken van cement, glas en keramiek van hoge kwaliteit. Verder wordt er nog turf, ijzeroer, fosforiet en mineraalwater gewonnen.
De export leverde in 1999 $3,3 miljard op. De belangrijkste exportproducten zijn machines, mineralen, textiel en kleding, chemicaliën en voeding. De belangrijkste exportpartners zijn Rusland, Duitsland, Letland, Denemarken, en Wit- Rusland.
In 1999 is er voor $4,5 miljard aan goederen geïmporteerd. De belangrijkste importproducten zijn gas, olie, kolen, machines en chemicaliën.
De belangrijkste importpartners zijn Rusland, Duitsland, Denemarken, Wit-Rusland en Letland.
De belangrijke industriële sectoren zijn de chemische industrie, machine-industrie, metaalindustrie, elektronica, bosbouwproducten, bouwmaterialen, voedselindustrie en textielindustrie. De machine-industrie, die onder andere schepen, turbines en werkbanken produceert, is voornamelijk geconcentreerd in en rond de grote steden. Zo heeft de havenstad Klaipeda enkele scheepswerven waar vissersschepen gebouwd en gerepareerd worden.
Van de chemische industrie is vooral de kunstmestproductie van belang. De lichte en de levensmiddelenindustrie bevinden zich behalve in de grote steden ook in talrijke kleinere steden; geproduceerd worden o.m. textiel (linnen, wol), hout, papier, leerwaren, conserven en suiker.
De spoorwegen vormen het voornaamste vervoermiddel; het spoorwegnet omvat (1990) 2007 km. De smalsporen die Litouwen nog lang heeft gehad zijn bijna allemaal buiten gebruik gesteld, hoewel ze op kaarten nog vaak te zien zijn. Het autoverkeer beschikt over ca. 20.900 km verharde en 10.600 km onverharde wegen. Litouwen heeft ca. 600 km binnenvaartwegen die het gehele jaar door bevaarbaar zijn. De voornaamste internationale luchthaven is Vilnius. In 1993 werd er nog een internationale luchthaven geopend nabij Siauliai. De belangrijkste zeehaven is Klaipeda; Kaunas heeft de grootste binnenhaven.
Het toerisme in Litouwen kan zich gaan ontwikkelen tot een belangrijke economische factor, mits er voldoende geïnvesteerd wordt in de infrastructuur en als hotels, restaurants e.d. op een West-Europees niveau gebracht worden.
• Vilnius Hotels
• Litouwen Hotels
| Palanga | Vilnius | Druskininkai | Plunge | ||
| Panevežys | Kaunas | Klaipeda | Garliava | ||
| Bubiai | Trakai | Avižieniai | |||
| Alle Hotels in LITOUWEN | |||||
Estonia, Latvia, and Lithuania : country studies McLachlan, G. / Lithuania Williams, N. / Estonia, Latvia & Lithuania
Federal Research Division, Library of Congress, 1996
Bradt Publications, 1999
Lonely Planet, 2000