De plantenwereld van Nieuw-Zeeland is zeer soortenrijk en gevarieerd en heeft door de vele endemische soorten een geheel eigen karakter. Maar liefst 2500 soorten zijn endemisch, evenals 1450 van de 1650 bloemdragende planten. Alle bomen die in de winter hun blad verliezen zijn ingevoerd terwijl de inheemse boomsoorten het hele jaar door groen zijn. De overeenkomst met de plantenwereld van Australië is opvallend gering. Nieuw-Zeeland vormt een overgang tussen de plantenrijken Paleotropis en Antarctis ; vooral door het bergachtige karakter van het land overwegen antarctische elementen in het bijzonder op het Zuideiland. Het noorden van het Noordeiland droeg oorspronkelijk een dicht, zeer rijk, subtropisch regenwoud, het kauribos, met meer dan 100 verschillende boomsoorten uit 47 families; de kauri en Beilschmiedia tarairi zijn hier het meest kenmerkend. Dit bos is ook zeer rijk aan boomvarens, epifyten en lianen. De kauri-boom is een sparrensoort en na het Noord-Amerikaanse redwood de grootste boomsoort ter wereld. Pas na ca. 800 jaar is de boom volwassen. De grootste kauri ter wereld staat in het Waipoua Kauri Forest, heet "Tane Manhuta" en is ongeveer 1200 jaar oud, 52 meter hoog en 13 meter in omvang. Het aantal kauri-bomen slonk in de zeventiende en achttiende eeuw snel en de meeste wouden waren toen verdwenen. Tegenwoordig is het een beschermde soort en mag dus niet zo maar gekapt worden. De "rimu" is een rode pijnboom die in gemengde bossen voorkomt en ca. 25 meter hoog kan worden. De totara werd door de Maori's gebruikt voor het maken van kano's en bij de huizenbouw. De kahikatea is een smalle witte den die o.a voorkomt in moerassige gebieden. Inheemse bomen zijn verder de kaikawaka, de matai, de tawa, de rata, de rewarewa en de kamahi. De gele bloemen van de kowhai zijn tot nationale bloem uitgeroepen. Houtbouw wordt vaak gecompenseerd door het aanplanten van de Californische radiata-den. De pohutukawa of Christmastree komt in de noordelijke kuststreken voor en de nikau-palm, de zuidelijkste palmsoort ter wereld, op het Zuideiland. De cabbagetree is botanisch niet gezien geen boom, maar een soort lelie. Een groot deel van de bossen op Noordeiland werden al in het jaar 200 door een uitbarsting van de Taupo-vulkaan weggevaagd. Toen de eerste Europeanen arriveerden bestond zestig procent van het land nog uit bossen. De meeste inheemse bossen hebben nu plaatsgemaakt voor gras- en bouwland. In het zuidelijk deel van het Noordeiland en het noorden van het Zuideiland is het westelijk regenwoud nog voor een groot deel intact. In de laagvlakte wordt het vooral gekenmerkt door Podocarpus- en Dacrydium-soorten. Op grotere hoogte wordt het vervangen door loofverliezende Nothofagus-bossen, die in het zuiden van het Zuideiland gaan overheersen. Naar het zuiden wordt het bos steeds lager, zodat epifyten en lianen ten slotte "grondplanten" worden. Er komen in Nieuw-Zeeland meer dan negentig soorten varens voor. Meest voorkomend is de koningsvaren met een blad dat aan de bovenkant donkergroen en aan de onderkant zilverkleurig is. Dit blad is een nationaal symbool. De boomvarens zijn het meest imposant. De zwarte mamaku kan 20 meter hoog worden en de op de koningsvaren lijkende ponga kan 10 meter lang kan worden.De meeste planten zijn door de Europese kolonisten geïmporteerd, o.a. vingerhoedskruid, distel, gaspeldoorn, lupine en hondsroos. Enkele van deze soorten zijn een ware plaag voor bijvoorbeeld schapenboeren geworden. Langs rivieren en in moerassen kan het endemische Nieuw-Zeelandse vlas veel voorkomen. Op het Zuideiland begint boven 1200 meter een zeer dicht en sterk vertakt struikgewas, o.a. gekenmerkt door soorten van Dracophyllum (Epacridaceae), Olearia (Composietenfamilie) en Hoheria glabrata (Kaasjeskruidfamilie). Bij 1350 meter begint de alpine zone, een aan voortdurende, heftige winden blootgestelde halfwoestijn, gekenmerkt door planten waarvan de dichte "vegetable sheep" (Raoulia-soorten en Haastia pulvinaris) het meest opvallen. Deze kussenplanten, het plantaardige schaap en het grote plantaardige schaap groeien op aardhopen die bedekt worden met crèmekleurige bladeren die vanuit de verte op rustende schapen lijken. Hier komen ook de bergmadelief en de gentiaan voor.Op de schaars begroeide puinhellingen zijn de Nieuw-Zeelandse edelweiss (Leucogenes grandiceps), een witbloeiende boterbloem (Ranunculus buchanani), en Ourisia-soorten van de helmkruidfamilie karakteristiek. De Ranunculus buchanani is de grootste boterbloem ter wereld en wordt ook Mount Cook lily genoemd. De droge oostelijke hellingen van het Zuideiland waren oorspronkelijk begroeid met de "tussock"-steppe, voornamelijk bestaande uit Danthonia-soorten, Festuca novaezelandiae en Poa colensoi. Op grotere hoogte wisselt het steeds spaarzamer wordende gras af met zeer eigenaardige, xeromorfe, grasachtige schermbloemigen en composieten, alsmede op heide lijkende, struikvormige Hebe-soorten van de helmkruidfamilie.
Voordat de mens op Nieuw-Zeeland arriveerde kwamen er door de geïsoleerde positie van Nieuw-Zeeland maar twee landzoogdieren voor; twee vleermuissoorten. Vossen, herten, gemzen, konijnen, opossums, fretten en hermelijnen werden door de Europeanen ingevoerd. Dit voorbeeld bij uitstek van faunavervalsing zette de inheemse fauna zwaar onder druk. Zo zijn de ca. 70 miljoen opossums een ware plaag geworden die elke nacht naar schatting 21.000 ton aan groene en bloeiende vegetatie opvreten. Op al deze dieren mag onbeperkt gejaagd worden om de schade die ze aanrichten enigszins te beperken.Het aantal soorten vogels was en is maar beperkt, ca. 300 soorten. Al deze vogels kregen ineens veel natuurlijke vijanden, maar ondanks dat leven er nog vele inheemse vogels in Nieuw-Zeeland. Ook het kappen van veel bossen zorgde ervoor dat nog steeds een aantal soorten met uitsterven bedreigd wordt.
Reptielen zijn zeer spaarzaam vertegenwoordigd met wat hagedissen zoals skinks, gekko's en de beroemde brughagedis of tuatara. De tuatara heeft een stamboom die 220 miljoen jaar teruggaat naar het Trias, en wordt dan ook als het oudste dier ter wereld beschouwd. Amfibieën zijn beperkt tot enkele archaïsche kikvorsen van het geslacht Leiopelma. Slangen komen op Nieuw-Zeeland niet voor.De grote weta is een ongevleugelde sprinkhaan die alleen nog voorkomt op Barrier Island en de Poor Knight Islands. De zwarte zandmug is het bekendste insect van Nieuw-Zeeland en tevens het lastigste; op zoek naar bloed jagen ze op alles wat in beweging is, dus ook en vooral de mens! Een bekende vlindersoort is de distelvlinder. Gewapend met een dodelijk gif is de katipo-spin. De fauna van ongewervelde dieren is eveneens naar verhouding zeer arm, behalve wat de landslakken betreft; Nieuw-Zeeland heeft per oppervlakte-eenheid de grootste diversiteit aan longslakken ter wereld. Verder komen o.a. ook de merkwaardige wormduizendpoten voor.
• Nieuw-Zeeland.nl - Dé webgids over Nieuw-Zeeland!
• Auckland Hotels
• Christchurch Hotels
• Nieuw Zeeland Hotels
Driessen, J. / Reishandboek Nieuw-Zeeland
Gebauer, B. / Nieuw-Zeeland
Gebauer, B. / Nieuw-Zeeland
Hanna, N. / Nieuw-Zeeland
Harper, L. / New Zealand
New Zealand
Te gast in Nieuw-Zeeland
Williams, J. / New Zealand
Elmar, 1999
Lannoo, 1997
Elmar, 2001
Kosmos-Z&K, 2000
Rough Guides, 2000
Macmillan, 2001
Informatie Verre Reizen, 2000
Lonely Planet, 2000