Schrijf uw artikel over SERVIE
Geschiedenis
Oudheid
In de kloof Gospodin Vir, op de rechteroever van de Donau bij de Roemeense grens, werd in de jaren zestig van de vorige eeuw de archeologische vindplaats Lepenski Vir ontdekt, de belangrijkste in Zuidoost-Europa.
Hier ontwikkelde zich tussen 7000 en 6000 v.Chr. de Lepenski Vir-cultuur, een van de oudste permanente nederzettingen in Europa. Rond die tijd leidden elders in Europa de mensen nog een nomadisch bestaan, maar vanwege de gunstige omstandigheden, water, vis en wild binnen handbereik, vestigden de mensen zich hier permanent. Op stenen gekraste symbolen wijzen zelfs al op een vorm van schrift.
Middeleeuwen
In de 6e eeuw n.Chr. vestigden zich Slavische stammen in het huidige Servië en Montenegro. Pas eind 12e eeuw wist men een enigszins stabiele staat te stichten, met in 1217 als eerste koning Stefan Nemanjic.
Het middeleeuwse Servië kenmerkte zich door aan de ene kant een voortdurende drang naar expansie, en aan de andere kant een regelmatige verbrokkeling van de macht. Zo werd van 1331 tot 1355 de gehele westelijke helft van het Balkanschiereiland overheerst door de Servische koning Stefan Dušan. Dat na zijn dood zijn rijk weer in vele kleine vorstendommen uiteenviel, stond in die tijd al bijna van te voren vast.
Osmaanse overheersing
Het opnieuw verdeelde Servië was nu een makkelijke prooi voor de Osmaanse Turken, die de machthebbers in het land wegjoegen. De meeste Serven werkten vanaf die tijd als horige boeren voor de Turkse bezetters.
In de 17e en 18e eeuw vertrokken veel van die boeren naar het naburige Vojvodina, dat op dat moment onder controle stond van de Habsburgers. De Serven hielpen de Habsburgers tegen de aanvallen van de Turken en kregen daarvoor in ruil wat privileges en religieuze vrijheid. Belangrijk voor de verdere geschiedenis van het land was het feit dat zich tegelijkertijd steeds meer Albanezen in Kosovo vestigden.
Begin 19e eeuw, van 1804 tot 1813, probeerden de Serven, onder leiding van Karadorde Petrovic, tevergeefs onder het juk van het Osmaanse gezag uit te komen. In 1815 had een tweede opstand, nu onder leiding van Miloš Obrenovic, meer succes. Echter, pas in 1829 werd de provincie Belgrado, met Obrenovic als handlanger van de Turken, door de Turkse sultan geaccepteerd als een vazalstaat van het Osmaanse rijk.
Een democratie kon het toen nog lang niet genoemd worden. De dynastieën van de despoten Obrenovic en Petrovic bevochten elkaar voortdurend en wisselden regelmatig van troon.
Het jaar 1844 was een belangrijk jaar voor Servië. De toenmalige minister van Buitenlandse zaken, Ilija Garašanin, had het in zijn Nacertanje (´Ontwerp´) over Groot-Servië met een vrije toegang tot de economisch en militair belangrijke Adriatische Zee. Pas enkele decennia later kwam het ideaal van Garašanin wat dichterbij.
Servië onafhankelijk
Onder Milan Obrenovic, die vanaf 1882 koning was, kreeg Servië na het Verdrag van Berlijn in 1878 echte onafhankelijkheid. Het grondgebied van Servië werd echter nauwelijks groter en Bosnië werd zelfs een Oostenrijks-Hongaars protectoraat. Zeer pijnlijk was dat hierdoor een vrije toegang tot de Adriatische Zee wederom geblokkeerd werd. Nu moest er een ander plan komen en men wilde dit realiseren door via Kosovo de haven van Durrës in Noord-Albanië te gebruiken. De Serven meenden trouwens dat Kosovo hun toebehoorde als ´bakermat van de Servische beschaving´.
In 1903 werd koning Aleksandar vermoord en kwam er een einde aan de Obrenovic-dynastie, die een arm en politiek instabiel Servië achterliet. De nieuwe koning werd Petar Karadordevic, die de macht deelde met een liberale regering met als kenmerk een sterk anti-Oostenrijkse houding. Oostenrijk zag dit met lede ogen aan want de Zuid-Slavische nationalisten of ‘Joegoslavisten’ hadden grote invloed op de Slovenen, Serven en Habsburgse Kroaten. Zij allen hoopten op één grote en sterke Zuid-Slavische staat, en die hoop werd nog sterker toen Servië in de Balkanoorlogen van 1912-13 Kosovo, Noord-Macedonië en een deel van Sandžak veroverde.
Eerste Wereldoorlog
Deze zeer explosieve situatie zou uiteindelijk leiden tot de Eerste Wereldoorlog. Op 28 juni 1914 werd de Habsburgse troonopvolger Frans-Ferdinand in Sarajevo vermoord door de Bosnisch-Servische nationalist Gavrilo Princip. Oostenrijk viel Servië meteen aan en enkele weken later was de Eerste Wereldoorlog een feit. Servië sloot zich bij de geallieerden aan, die in 1918 de oorlog in hun voordeel wisten te beslissen. Bij de vredesonderhandelingen van Versailles in 1919 wisten de Serven zonder veel moeite de Habsburgse Zuid-Slavische gebieden in te lijven. Al op 1 december 1918 werd het eerste Joegoslavië gesticht, het ‘Koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen’, dat vanaf 1929 Joegoslavië zou gaan heten. In 1921 werd er een nieuwe grondwet aangenomen die van Joegoslavië een unitaire staat maakte. De Serven probeerden echter meteen allerlei zaken aan de Kroaten en Slovenen op te dringen, wat onvermijdelijk tot spanningen leidde. Ook werden alle belangrijke posities in de politiek en het leger door Serven bezet.
Minderheden als Duitsers en Hongaren hadden nog minder rechten, de Kosovaren waren zelfs totaal zonder rechten. De ontevreden minderheden werden enigszins tevreden gesteld door het idee van de Communistische Partij van Joegoslavië om een federatie te stichten, met verregaande autonomie voor de afzonderlijke deelstaten. Maar met name de Kroaten schikten zich niet en de fascistische ‘Ustaša’ zorgde voor veel politiek geweld en streefde naar een onafhankelijk Kroatië.
Om aan alle onrust een einde te maken schorste koning Aleksandar in 1929 de grondwet en liet duizenden oppositieleden oppakken. Aleksandar werd in 1934 vermoord en als regent trad zijn broer Pavle op, onder wie Kroatië in 1939 alsnog autonomie kreeg.
Tweede Wereldoorlog
In de Tweede Wereldoorlog werd Joegoslavië aangevallen door de Duitsers en capituleerde in april 1941. Joegoslavië werd hierna verdeeld in de Bosnisch-Kroatische staat ‘Onafhankelijke Staat Kroatie. Kosovo en West-Macedonië werden bij Albanië gevoegd. Verder kwam Montenegro onder Italiaans bewind te staan en Hongarije annexeerde Vojvodina. Het kleine Servië stond volledig onder het bestuur van Duitsland.
Meteen werden ook allerlei verzetsbewegingen actief, waarvan de communistische partizanen van Josip Broz, beter bekend als Tito, de belangrijkste was. Het officiële Joegoslavische verzetsleger bleef trouw aan de gevluchte regering in Londen. Beide bewegingen bestreden de bezetter, maar ook elkaar.
In 1943 kregen de partizanen van Tito echter de steun van de geallieerden en op 29 november 1945 werd de Federale Volksrepubliek Joegoslavië (later: Socialistische Federale Republiek Joegoslavië) door de communistische regering uitgeroepen, bestaande uit zes republieken en twee autonome gebieden. Tegelijkertijd werd het koningschap afgeschaft en in 1946 werd een op Russische leest geschoeide grondwet aangenomen.
Periode na de Tweede Wereldoorlog
De eerste jaren na de oorlog volgde Tito de lijn van de Sovjet-leider Stalin; dat betekende nationalisatie van bedrijven, collectivisering van de landbouw en politieke tegenstanders die werden geliquideerd. Hij wilde zich echter niet helemaal aan de Sovjet-Unie binden en werd daarom in juni 1948 door het totale Oostblok als het ware verstoten.
Tito achtervolgde nu de stalinisten in zijn land en richtte zich steeds meer op het Westen en wist met hulp van vooral de Verenigde Staten de gevolgen van de breuk met de Sovjet-Unie op te vangen. Joegoslavië was nu een federale staat met deelstaten als Servië, Kroatië en Montenegro en met enkele autonome provincies, het Albanese Kosovo en het Hongaarse Vojvodina. Alle staatkundige eenheden hadden een eigen grondwet, president, regering, parlement en taal.
Kenmerkend voor deze periode was dat de federale overheid steeds meer macht verloor aan de regeringen van de republieken. Ontevredenheid over de financieel-economische positie van Kroatië leidde in 1971 tot een uitbarsting van nationalisme in Kroatië. Na ingrijpen van Tito werd in Kroatië vrijwel de volledige staats- en partijleiding afgezet.
Het bestuur werd gedecentraliseerd en de autonome (op Servisch grondgebied gelegen) provincies Kosovo en Vojvodina kregen een grote mate van zelfstandigheid.
Vooral in Kosovo werden de daar woonachtige Serven na 1974 steeds meer onder druk gezet door de ‘albanisering’ van de samenleving. Dit uitte zich onder meer in het steeds minder voorhanden zijn van banen voor de Serven.
In 1981 eisten Kosovaarse nationalisten tijdens onlusten in Pristina zelfs dat hun provincie een republiek moest worden. De politie trad zeer hard op en vanaf 1986 werden de nationale gevoelens van de Serven in de provincie Kosovo en daarbuiten steeds sterker.
Einde van Joegoslavië
Ondertussen was de economie al sinds de jaren zeventig aan het instorten en na de dood van Tito in mei 1980 ontstond er politiek een onhoudbare situatie. Na de dood van Tito traden de tegenstellingen tussen de verschillende nationaliteiten steeds duidelijker aan het licht.
De latere leider Slobodan Miloševic pleitte sterk voor een sterk gezag vanuit Belgrado en hij beloofde een eind te maken aan de ‘discriminatie’ en zelfs ‘genocide’ waarvan de Serven in Kosovo, Kroatië en Bosnië het slachtoffer zouden zijn. Dit was natuurlijk koren op de molen voor de Servische nationalisten en in 1986 werd Miloševic voorzitter van de Communistenbond van Servië en in 1989 president van Servië.
In 1988 en 1989 werden er door de Serven massabetogingen georganiseerd waardoor de regeringen van Kosovo, Vojvodina en Montenegro zich genoodzaakt zagen af te treden. De regeringen die nu aantraden dansten volledig naar de pijpen van Miloševic en voerden grondwetswijzigingen door die de autonomie van deze gebieden steeds meer beperkte. Kosovaars verzet werd met geweld onderdrukt. Tegen het einde van de jaren tachtig streefden met name de welvarende Slovenen, en in mindere mate de Kroaten, naar een lossere band tussen de verschillende republieken.
In december 1990 veroverde de Socialistische Partij van Servië meer dan tweederde van de zetels in het Servische parlement en daarmee was de macht in Servië volledig in handen van Miloševic.
Oorlog tussen de deelstaten
Miloševic probeerde vervolgens ook om de federale regering van Joegoslavië zijn wil op te leggen, maar dit zou op een volkomen mislukking uitlopen. In 1990 stapten Kroatië en Slovenië uit de bond van Joegoslavische communistische partijen en in 1991 zelfs uit de Joegoslavische federatie. In datzelfde jaar kozen ook Kosovo, Macedonië en Bosnië voor zelfstandigheid. In januari 1992 erkende de Verenigde Naties de onafhankelijkheid van Slovenië, Bosnië en Kroatië; Kosovo kreeg deze erkenning niet. Servië ging samen met Montenegro de Federale Republiek Joegoslavië vormen.
De Serven erkenden de oude staatsgrenzen echter niet omdat daardoor eenderde van alle Serven buiten de eigen staat zouden komen te wonen. Dat was voor hen niet te verteren en in de periode 1991-1995 volgende enkele bloedige burgeroorlogen over de grensproblematiek. Servische burgermilities stichtten in Kroatië en Bosnië autonome Servische gebieden, waarvan het de bedoeling was dat ze zich bij Servië zouden aansluiten. Veel Kroaten en Bosniërs werden verdreven of vermoord. Vanwege de sterke betrokkenheid van Servië en Montenegro bij de gevechten buiten hun grenzen werden zij getroffen door een internationale economische boycot sinds november 1991.
Aan de andere kant lieten ook de Kroaten en Bosniërs zich niet onbetuigd en aan beide zijden vonden vele oorlogsmisdaden plaats. Met het Akkoord van Dayton in 1995 kregen de Bosniërs een eigen staat, goedgekeurd door Miloševic. Kroatische Serven waren al eerder dat jaar verjaagd uit Kroatië en het aantal Servische vluchtelingen in Kroatië en Bosnië bedroeg op dat moment al meer dan een half miljoen personen.
Naar aanleiding van al deze verschrikkelijke gebeurtenissen werd in Den Haag het International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia geïnstalleerd. In 1999 werd ook Miloševic aangeklaagd wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden en etnische zuiveringen.
Ontwikkelingen in Kosovo vanaf 1991
Op 19 oktober 1991 riepen de Kosovaarse leiders de onafhankelijkheid uit en in mei 1992 organiseerden de Kosovaren hun eigen parlementsverkiezingen die werden gewonnen door de Democratische Liga van Kosovo (DLK). DLK-voorzitter Ibrahim Rugova werd door het parlement als president gekozen.
Rugova deed een poging om internationale erkenning af te dwingen, maar de internationale gemeenschap opteerde voor een onderhandelde oplossing. Miloševic daarentegen wilde niets weten van verregaande autonomie, laat staan van onafhankelijkheid.
In 1998 grepen radicale nationalistische Kosovaren naar de wapens en het Kosovaarse bevrijdingsleger (KBL) veroverde ongeveer een derde van het Kosovaarse grondgebied. Tienduizenden Serven sloegen op de vlucht, maar door de Servische tegenaanvallen vluchtten een kwart miljoen Kosovaren op hun beurt de bergen in.
De internationale gemeenschap vreesde voor een humanitaire ramp, en dwong op 13 oktober 1998 Miloševic en de Kosovaarse leiders in te stemmen met een akkoord. Dit akkoord hield in dat Servië onder toezicht van de Organisatie voor Vrede en Veiligheid (OVSE) zijn troepen zou terugtrekken, de vluchtelingen mochten ongemoeid terugkeren en er moesten besprekingen komen over autonomie voor Kosovo.
In 1999 doodde het Servische leger enkele tientallen Kosovaren, wat leidde tot een nieuw internationaal initiatief. In Rambouillet bij Parijs werd een nieuw akkoord gesloten, dit maal ten nadele van de Serven. De NAVO wilde op het gehele Servische gebied controle op het akkoord uitoefenen, maar de Serven wilden dit overlaten aan de Verenigde Naties. Bovendien vermoedden ze dat de internationale bemiddelaars de Kosovaren in het geheim onafhankelijkheid hadden beloofd en haakten definitief af in het vredesoverleg. Dit leidde van 24 maart tot 10 juni 1999 tot aanvallen van de NAVO op doelen in geheel Joegoslavië. Servische ordestrijdkrachten rukten op tegen het Kosovaarse bevrijdingsleger, met etnische zuiveringen en bijna één miljoen vluchtelingen als gevolg.
Op 3 juni ging Miloševic eindelijk akkoord met de eisen van de NAVO en vanaf 10 juni trad VN-resolutie 1244 in werking. Deze resolutie hield in dat Kosovo ‘substantial autonomy and meaningful self-administration’ kreeg, maar uitdrukkelijk wel onder ‘respect for the sovereignty and territorial integrity of the Federal Republic of Yugoslavia’.
Sinds die tijd wordt Kosovo bestuurd door de UN Interim Administration Mission in Kosovo (Unmik), die de wetgevende en uitvoerende macht uitoefent, en de Kosovo Peace Implementation Forces (KFOR), die hoofdzakelijk geleverd werden door de NAVO en onder andere moesten toezien op de veilige terugkeer van de honderdduizenden vluchtelingen. Gerustgesteld door de aanwezigheid van deze internationale troepenmacht keerden de meeste Kosovaren inderdaad weer terug naar Kosovo. Veel Serviërs verlieten daarop het gebied uit angst voor wraakacties.
Nu brak er echter een interne gwelddadige politieke strijd uit. Unmik installeerde een Kosovo Transitional Council (KTC), waarin alle belangrijke partijen en groeperingen vertegenwoordigd waren. Rugova en de DLK-regering en KBL-leider Hashim Thaçi stonden tegenover elkaar. Thaçi vond dat de bevrijders van Kosovo een veel grotere rol in de Kosovaarse politiek verdienden. Thaçi ging hiervoor samenwerken met Ramush Haradinaj van de Alliantie voor de Toekomst van Kosovo (ATK). De concurrentiestrijd tussen de ATK en de DLK liep soms uit in geweldplegingen en ook de Serven in Kosovo waren sterk verdeeld.
Na het aantreden van Koštunica groeide er een betere verstandhouding tussen het internationale bestuur van Kosovo en de regering in Belgrado. In de loop van 2001 startte Unmik met het repatriëren van Servische vluchtelingen naar Kosovo en Koštunica moedigde hen aan om deel te nemen aan verkiezingen voor een soort Kosovaarse regering, de “Provisional Institutions for Self-Government (PISG)”. De DLK van Rugova won de parlementsverkiezingen van 17 november 2001 met 47 van de 120 zetels. De Servische Coalitie Terugkeer kreeg 22 zetels, waarvan tien gegarandeerde. De Unmik bleef echter verantwoord voor belangrijke zaken als buitenlands beleid, justitie en politie en kon bovendien altijd een veto uitspreken tegen beslissingen van de PISG. Na maanden steggelen kwamen politieke partijen in Kosovo in februari 2002 een coalitieregering overeen.
De stemmingen voor een president leverden vooralsnog geen meerderheid voor Rugova, doordat de Serven weigerden op hem te stemmen en de DPK persé de zeer belangrijke post van premier wilde hebben. Begin maart 2002 werd Rugova dan toch door het parlement gekozen tot president van Kosovo, met steun van het hoofd van Unmik, Michael Steiner. Deze Steiner was echter niet geliefd bij de Serven, noch bij de Kosovaren. De Serven vermoedden dat hij werkte aan de onafhankelijkheid van Kosovo; de Kosovaren vonden dat hij de onafhankelijkheid op de lange baan schoof.
In oktober 2003 voerden delegaties van Servië en Kosovo voor het eerst sinds de luchtacties van de NAVO in 1999 overleg hoe de relaties tussen Kosovo en de rest van Servië te verbeteren. Het ging daarbij vooral om praktische zaken als vermiste personen, energievoorziening en transport. Uitbreiding van de bevoegdheden van de Kosovaarse autoriteiten was voor Servië al eerder geen optie.
Op 17 maart 2004 brak er in de stad Mitrovica ernstig etnisch geweld uit. Minstens 19 mensen vonden de dood en ca. 500 raakten er gewond. Ongeveer 4500 mensen raakten dakloos. De NAVO stuurde 1000 militairen om de orde te herstellen.
Eind januari 2005 overleed president Rugova. Onderhandelingen over de toekomst van Kosovo werden tijdelijk uitgesteld.
De etnisch Albanese meerderheid in het parlement van Kosovo riep zondagmiddag 17 februari 2008 eenzijdig de onafhankelijkheid van de Servische provincie uit. Op straat in Pristina werd een groot feest gevierd, terwijl de Servische autoriteiten in Belgrado de stap meteen veroordeelden.
Tijdens een buitengewone zitting van het parlement las premier Hashim Thaçi de onafhankelijkheidsverklaring voor. Daarin staat dat Kosovo "een onafhankelijke en soevereine staat" is. De parlementariërs stemden ook in met een nieuwe nationale vlag en volkslied.
Ontwikkelingen in Servië vanaf 1990
In 1990 werd er een meerpartijensysteem ingevoerd, wat leidde tot een massa partijtjes die het politieke landschap totaal onduidelijk maakte. De grootste partij was de uit de communistische partij voortgekomen SPS van Miloševic. Alle belangrijke posities bij overheid, bedrijfsleven, leger, media en politie waren in handen van ex-communisten en Miloševic was er alles aan gelegen om die situatie van vriendjespolitiek en zelfverrijking in stand te houden. Zelfs de Groot-Servische gedachte was daaraan ondergeschikt.
De verkiezingen van december 1993 werden gewonnen door de Socialistische Partij van Servië (SPS) zonder een meerderheid te behalen. Het lukte niet om een coalitieregering samen te stellen en uiteindelijk vormden de socialisten een minderheidsregering.
In de zomer van 1994 kwam de zogenaamde contactgroep, die bestond uit de Verenigde Staten, Rusland, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, met een nieuw plan voor de verdeling van Bosnië-Herzegovina: 49% van het grondgebied werd toegewezen aan de Bosnische Serviërs en 49% aan de moslim-Kroatische federatie. Miloševic ging akkoord, maar slaagde er niet in de Bosnische Serviërs over te halen. Miloševic, die het Bosnische conflict wilde beëindigen om een eind te maken aan de internationale sancties tegen Joegoslavië, gaf in deze fase geen steun aan de in het defensief gedrongen Bosnische en Kroatische Serviërs.
Op 21 november 1995 werd in het Amerikaanse Dayton een vredesakkoord voor Bosnië-Herzegovina bereikt tussen de presidenten Izetbegovic van Bosnië-Herzegovina, Tudjman van Kroatië en Miloševic van Servië, die ook namens de Bosnische Serviërs onderhandelde. De vredesvoorstellen werden in december in Parijs getekend en Miloševic bereikte zijn doel: de sancties tegen Joegoslavië werden opgeheven.
Ondertussen rukten de Bosnische moslims en de Kroaten in Bosnië-Herzegovina op en vluchten vele Serven uit Bosnië en Kroatië naar Servië.
In 1994 verenigden zich ook 23 kleine linkse partijtjes in het radicale Joegoslavisch Verenigd Links (JVL) van de vrouw van Miloševic, Mira Markovic. De meeste andere partijen waren anticommunistisch en min of meer nationalistisch, bijvoorbeeld de Servische Beweging voor Vernieuwing (SBV) van Vuk Draškoviç en de Servische Radicale Partij (SRK) van Vojislav Šešelj. De laatste behoorde tot de Servische ´cetniks´, leden van een burgermilitie die vele oorlogsmisdaden op hun naam hadden staan. De meer democratische en pro-Europese partijen waren te zeer verdeeld om een rol van belang te spelen. Zij richtten zich bovendien op het economische beleid van Miloševic en niet op zijn optredens in Kroatië, Bosnië en Kosovo. Anti-communistische massademonstraties werden zonder pardon door het leger uit elkaar gejaagd. Miloševic’ regime kreeg steeds meer trekken van een dictatoriaal regime; hij had bijvoorbeeld alle media in handen en alle verkiezingen stonden bol van de fraude. Om zijn beleid kracht bij te zetten riep hij steeds vaker de hulp in van speciale trouwe politie-eenheden in plaats van het leger.
In mei 1996 kwam het in Nis tot ernstige sociale onlusten, nadat veel arbeiders al maandenlang geen salaris meer hadden ontvangen. De verkiezingen voor het federale parlement van begin november werden in Servië gewonnen door de coalitie, bestaande uit de regerende SPS, Joegoslavisch Verenigd Links (JUL) en de Democratische Partij van Servië. Er werden tegelijkertijd ook gemeenteraadsverkiezingen gehouden en hierbij behaalde de coalitie Zajedno (Samen), bestaande uit de drie grootste Servische oppositiepartijen, samen met een aantal kleinere partijen de meerderheid in bijna alle grote Servische steden. De SPS van Miloševic verklaarde daarop de meeste uitslagen ongeldig, waarna de oppositie, studenten en arbeidersorganisaties dagelijks massale demonstraties organiseerden in Belgrado om de verkiezingsuitslag te eerbiedigen. Na maandenlange demonstraties erkende Miloševic, mede onder grote buitenlandse druk, de overwinning van de oppositie.
In 1997 kon Miloševic volgens de grondwet niet meer voor een derde keer tot president gekozen worden, maar de slimme vos liet zich door het Joegoslavische parlement verkiezen tot ‘federaal’ president. President van Servië werd een vertrouweling van Miloševic, Milan Milutinovic, die handig gebruik maakte van een opnieuw verdeelde oppositie, die zich daardoor in feite zelf buitenspel zette.
In december 1998 gingen een aantal oppositiepartijen op in Alliantie voor Verandering. Deze groepering had gehoopt op deelname van Draskovic, maar die nam de functie van vice-president van Servië aan.
In 1999 volgde de interventie van de NAVO die de populariteit van Miloševic nog leek te vergroten, ondanks de vele aanklachten die bij het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag binnenkwamen.
In juli 2000 wilde Miloševic de grondwet zodanig veranderen dat hij nog gemakkelijk acht jaar in het zadel kon blijven zitten. De federale presidentsverkiezingen van 24 september zouden dan nog wel even gewonnen moeten worden, maar hij was vol vertrouwen.
Die populariteit bleek echter nogal tegen te vallen en bovendien steunde de Democratische Oppositie van Servië (DOS) eindelijk een sterke kandidaat in de persoon van de integere, gematigd nationalistische Vojislav Koštunica, de leider van de Democratische Partij van Servië (DPS).
De verkiezingen leken verrassend een overwinning voor Koštunica te worden, maar de kiescommissie verklaarde de verkiezingen ongeldig. Het bleek dat hij wel de meeste stemmen gehaald had, maar niet de vereiste 50%. Het gevolg waren massademonstraties in Belgrado, waarna op 28 september bekend werd gemaakt dat Koštunica tóch 50,24% van de stemmen behaald had. Een week later, op 6 oktober, belegerde een mensenmassa het federale parlementsgebouw in Belgrado. Leger en politie grepen niet in daarmee kwam er een einde aan het tijdperk Miloševic. Op 6 oktober erkende Miloševic zijn nederlaag in een verklaring voor de televisie en de volgende dag werd Vojislav Koštunica geïnaugureerd als president van de Federale Republiek Joegoslavië. De internationale wereld reageerde verheugd en Servië kreeg weer toegang tot internationale organisaties en ook de internationale financiële hulp werd hervat.
De parlementsverkiezingen van 23 december 2000 werden gewonnen door de DOS van Ðindic, die ook premier werd. Grootste oppositiepartij werd de SPS. De verhoudingen tussen de op het Westen gerichte hervormer Ðindic en de nationalistische en conservatieve Koštunica waren echter vanaf het begin al niet goed. Ðindic beschuldigde Koštunica ervan dat hij de economische hervormingen boycotte en bovendien te lang talmde met de hervorming van leger, politie en geheime diensten, waar nog veel Miloševic aanhangers op hun stoel zaten.
In april 2001 werd Miloševic gearresteerd wegens machtsmisbruik en corruptie. Ðindic liet hem uitleveren aan het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag. Koštunica was hiertegen omdat in de grondwet stond dat Servische burgers niet aan vreemde mogendheden mochten worden uitgeleverd. De dreiging dat de Verenigde Staten financiële hulp zouden stopzetten, had Ðindic over de streep getrokken. Ondertussen functioneerde het parlement nauwelijks. In augustus 2001 trok Koštunica de leden van zijn DPS uit de regering. In juni 2002 namen alle DPS-volksvertegenwoordigers ontslag en eind juli verstootte de DOS de DPS uit de coalitie.
De Servische presidentsverkiezingen van september 2002 werden bestreden tussen Koštunica, de ultranationalist Šešelj en Miroljub Labus.
Deze verkiezingen liepen uit op een fiasco: in de eerste ronde behaalde Koštunica geen 50% van de stemmen; in de tweede en derde ronde kwamen veel te weinig kiezers opdagen en aldus bleef Servië vooralsnog zonder president.
Op 12 maart 2003 werd premier Ðindic door sluipschutters vermoord en opgevolgd door zijn vice-premier, Zoran Živkovic. Hij werd waarschijnlijk vermoord om zijn bereidwilligheid om Miloševic en andere oorlogsmisdadigers uit te leveren aan het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag.
De vervroegde parlementsverkiezingen van december 2003 werden gewonnen door de Servische Radicale Partij (SRS) van Vojislav Seselj met 27,5% van de stemmen. De vervroegde verkiezingen waren noodzakelijk geworden nadat de regerende meerpartijencoalitie Democratische Oppositie van Servië (DOS) de meerderheid in het parlement had verloren en uit elkaar was gevallen.
Oud-president van Servië Milan Milutinovic meldde zich in januari 2003 vrijwillig bij het tribunaal en verklaarde onschuldig te zijn. Milutinovic werd van misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in Kosovo in 1999 verdacht.
Op 20 februari 2004 werd Vojislav Koštunica tot premier van Servië benoemd. Op 1 december 2004 overleefde de Servische president Tadic een aanslag in het centrum van Belgrado. De 45-jarige Tadic was ongedeerd. Een week eerder was Tadic nog met de dood bedreigd omdat hij verdachten van oorlogsmisdaden wil uitleveren aan het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.
Ontwikkelingen in Montenegro vanaf 1990
In januari 1989 grepen aanhangers van Miloševic in Montenegro de macht. Momir Bulatovic en Milo Ðukanovic werden gekozen tot voorzitter en secretaris-generaal van de Communisten Bond van Montenegro. Bulatovic werd president in 1989 en Ðukanovic premier in 1991. Na de verkiezingen van december 1990 werd de naam veranderd in Democratische Partij van de Socialisten (DPS).
In maart 1992 koos de meerderheid van de Montenegrijnse bevolking ervoor om samen met Servië de Federatieve Republiek Servië te vormen, tot teleurstelling van de Liberale Alliantie van Montenegro, die voor onafhankelijkheid waren.
De verhoudingen tussen Montenegro en Servië verslechterden echter snel. Miloševic wilde de autonomie van Montenegro verder beperken en dat accepteerden de Montenegrijnse leiders niet. Zo namen ze stelling tegen de acties van het Servische leger in 1992 in Bosnië-Herzegovina.
De verkiezingen voor het federale parlement van begin november 1996 werden in Montenegro gewonnen door de regerende Democratische Partij van de Montenegrijnse Socialisten (DPS).
In 1997 kwam tussen de samenwerking van Bulatovic en Ðukanovic een einde. Ðukanovic greep dit feit aan om zich helemaal te richten op volledige autonomie van Montenegro. Dat Ðukanovic vervolgens de presidentsverkiezingen van oktober 1997 van Bulatovic won, was logisch. Bulatovic verliet daarop de DPS en stichtte een nieuwe partij, de pro-Joegoslavische Socialistische Volkspartij (SVP). Ðukanovic ging echter door en in mei 1998 won zijn coalitie ‘Voor een beter leven’ bijna de helft van alle stemmen bij de parlementsverkiezingen. De regering van Ðukanovic richtte zich nu volledig op het Westen en verwijderde zich daardoor steeds verder van Servië. Het Montenegrijnse parlement deed nog enkele vergaande voorstellen en op een gegeven moment voerde men de euro als officiële munt in.
Als reactie hierop liet Miloševic in juli 2000 een grondwetswijziging doorvoeren die weer zeer slecht viel bij de Montenegrijnen. De wijziging hield in dat vertegenwoordigers in het federale parlement voortaan per vastgesteld aantal inwoners gekozen zouden worden. Hierdoor zouden de Servische vertegenwoordigers met een veel groter aantal in het parlement komen dan de Montenegrijnen. De Montenegrijnse regering was het hier uiteraard helemaal niet mee eens en boycotte de federale verkiezingen van september 2000. Ðukanovic stelde zich ook steeds harder op en wenste alleen nog rechtstreeks met de Joegoslavische president Koštunica te onderhandelen.
Op 11 mei 2003 won Filip Vujanovic in de derde ronde de presidentsverkiezingen in Montenegro. Bij een opkomst van ruim 48% behaalde hij 63% van de stemmen. De eis dat de opkomst boven de 50% moest liggen, was bij deze derde verkiezingsronde sinds december, geschrapt.
In juni 2004 wordt de gematigde Boris Tadic gekozen tot president van Servië, in februari 2008 volgt zijn herverkiezing.
De voormalige Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic is in juli 2008 gearresteerd in Servië. Het nieuws werd bekendgemaakt door de Servische president Boris Tadic. Karadzic is voorlopig overgedragen aan de onderzoeksrechter van het tribunaal voor oorlogsmisdaden in Belgrado. Het is niet duidelijk wanneer hij wordt overgebracht naar het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.
Statenbond Servië en Montenegro
In 1992 besloten beide republieken onder de naam Federale Republiek Joegoslavië in één staatsverband verder te gaan. Op 23 april 1992 werd een nieuwe federale grondwet aangenomen. Verkiezingen in mei werden gewonnen door de Socialistische Partij van Miloševic. Zij werden evenwel geboycot door de min of meer monddood gemaakte oppositie. De Servisch-Amerikaanse zakenman Milan Panic werd premier en president werd de schrijver Dobrica Cosic. Panic verweet Miloševic dat deze slechts een klein groepje oorlogszuchtige fanatici vertegenwoordigde. Hij moest daarvoor boeten en werd in februari 1993 vervangen door Radoje Kontic. Miloševic versterkte zijn positie in juni 1993 door president Dobrica Cosic te laten vervangen.
Na de aftocht van Miloševic nam de internationale druk op Ðukanovic toe om het streven naar onafhankelijkheid van Montenegro te temperen, bevreesd als men was voor een nieuw conflict op de Balkan. De druk werd nog opgevoerd toen bij de parlementsverkiezingen van april 2001 de separatistische coalitie ‘Overwinning voor Montenegro’ bijna de helft van alle zetels behaalde. Een referendum over onafhankelijkheid mocht onder geen beding doorgaan en Ðukanovic werd min of meer gedwongen om met Koštunica te gaan onderhandelen over een nieuwe federale structuur. Het dreigen met het stoppen van de financiële steun aan Montenegro haalde Ðukanovic over de streep. In het voorjaar van 2002 werd het referendum inderdaad opgeschort, maar na een vertrouwenscrisis viel de regering in mei.
In oktober werden parlementsverkiezingen gehouden die werden gewonnen door de DPS met een absolute meerderheid. Ðukanovic wilde geen president meer zijn en werd premier en kon zo zijn invloed aanwenden op het overleg over de nieuwe unie. Dat overleg liep echter zeer stroef en pas op 4 februari 2003 werd de grondwet van de nieuwe statenbond Servië en Montenegro (Srbija i Crna Gora) aangenomen. Een aantal ministeries (o.a. Buitenland en Defensie) bleef gemeenschappelijk en in de grondwet werd opgenomen dat de bevolking zich uiteindelijk mocht uitspreken over het al dan niet voortzetten van de Unie.
Op 7 maart 2003 werd Svetozar Marovic tot eerste president van Servië en Montenegro gekozen.In mei 2006 zal Montenegro per referendum stemmen over onafhankelijkheid.
De statuskwestie van Kosovo is nog onbeslist. Formeel maakt Kosovo nog altijd deel uit van FRJ krachtens VN VR resolutie 1244 maar het staat onder internationaal (VN-)gezag. In 2005 begon de Noorse NAVO-ambassadeur Eide aan de evaluatie van de implementatie van de VN-standaarden door het Kosovaars zelfbestuur. Op basis daarvan is in oktober 2005 besloten de onderhandelingen over de bepaling van de toekomstige status van Kosovo te starten. Onder leiding van de Speciale Gezant van de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties, de Finse oud-president Martti Ahtisaari, voeren Belgrado en Pristina besprekingen die tot een voorstel moeten leiden voor de VN-veiligheidsraad.
Servië en Montenegro streeft, evenals de overige landen in de Westelijke Balkan, naar spoedige aansluiting bij de EU. De EU steunt dit streven in het kader van het Stabilisatie- en Associatieproces SAP), waarbij SenM steun krijgt bij het voldoen aan de voorwaarden voor verdere toenadering tot de EU.
SERVIE LINKS
• Beograd Hotels
• Serbia Hotels
Montenegro 1World2Travel (E+N)
Radio Joegoslavië
Romans over Servië (N)
Servië 1World2Travel (E+N)
Servië Montenegro Minbuza (N)
Servië Startnederland (N+E)
Servië-Montenegro Middeneuropa (N)
Startpagina Servië-Montenegro (E+N)
Telefoongids Joegoslavië
Willgoto Servië en Montenegro (N)
Bronnen
Detrez, R. / Servië-Montenegro : mensen, politiek, economie, cultuur, milieu
Koninklijk Instituut voor de Tropen ; Novib, 2003
Milivojevic, J. / Serbia
Children’s Press, 1999
Schuman, M.A. / Serbia and Montenegro
Facts On File, 2004
laatst bijgewerkt juli 2008
Samensteller: Geert Willems