Sicilië is economisch gezien een van de zwakste regio’s van Italië. Industrialisatie en miljarden lires subsidie van de Europese Unie en Italiaanse overheid hebben tot nu toe nog niet veel geholpen. De werkloosheid, met name onder vrouwen en jongeren, is hoog met ca. 20% van de beroepsbevolking en de inkomens per hoofd van de bevolking zijn laag, meer dan 30% lager dan het inkomen van de Noord-Italianen. Verder heeft maar ca. 40% van de Sicilianen een baan (Nederland: ca. 60%). Dit komt doordat er weinig deeltijdarbeid bestaat en vrouwen praktisch niet in het arbeidsproces meedoen.
Ca. 13% van de beroepsbevolking werkt in de visserij en de landbouw, ca. 18% in de industrie, en ca. 69% is de dienstverlening waaronder velen in het toerisme.
Het aantal mensen afhanekelijk van de landbouw bedroeg in de jaren vijftig van de vorige eeuw nog meer dan vijftig procent van de beroepsbevolking (nu: ca. 13% ; Italië: 7,5%; Nederland 3,6%). Toch wordt nog ongeveer 80% van het landoppervlak gebruikt voor de landbouw, ca. 2 miljoen hectares. Het belangrijkste bestaansmiddel op het eiland is dan ook nog steeds de landbouw; de productie van tarwe, vlas, wijn, olijven, noten, maïs, peulvruchten, groenten en citrusvruchten zoals sinaasappels en citroenen. Andere fruitbomen leveren o.a. perziken, abrikozen, amandelen, mispels en granaatappels op. Het binnenland is het graangebied bij uitstek en wordt de graanschuur van Italië genoemd. De vlakte van Catania en de Conco d’Oro-vallei zijn belangrijke tuinbouwgebieden.
De vondst van aardolie voor de kust bij o.m. de provincies Ragusa en Syracuse in de jaren vijftig heeft geleid tot de vestiging van petrochemische industrie, die ook geïmporteerde grondstoffen verwerkt en exporteert. Mijnbouw en zoutwinning zijn van vroeger uit al de belangrijkste industriële activiteiten, hoewel de laatste jaren van steeds minder belang. De mijnen leverden zwavel en marmer en de zoutpannen (kaliumzout en steenzout) lagen langs de zuidkust. Op het eiland Lípari wordt nog puimsteen gewonnen.
Enkele grote bedrijven zijn ook op Sicilië vertegenwoordigd, zoals Pirelli (banden), Fiat (auto’s), Navali ( scheepsbouw), en Thompson (elektronica). Fiat is de grootste indutriële werkgever. Er is verder nog een aanzienlijke bouwmaterialen- en voedingsindustrie. Ook papier-, metaal-, en textielindustrie is nog van belang. Industriële centra zijn te vinden bij Syracuse, Palermo, Milazzo en Augusta.
De dienstensector is de belangrijkste economische sector op Sicilië, met name geconcentreerd in de steden Palermo, Messina en Catania. De overheid is de grootste werkgever naast de spoorwegen (ca. 17.000 werknemers) en Telecom Italia (ca. 6.000 werknemers).
De werkgelegenheid rond Catania is sterk gestegen en komt bijna in zijn geheel voor rekening van de werkgelegenheid in de dienstverlenende sector, maar ook uit de opkomst van het midden- en kleinbedrijf. De bijnaam 'Milaan van het Zuiden' is dan ook niet zonder reden. Verder wordt het toerisme steeds belangrijker.
• Palermo Hotels
• Eliza was here: sfeervolle reizen naar Sicilië
• Italië Hotels
Scholten, J. / Sicilië: met de Egadische en Eolische eilanden Bausenhardt, H. / Sicilië Haan-van de Wiel, W.H. de / Sicilië
Van Reemst, 2000
Van Reemst, 2000
Gottmer, 1998