Steden BELGIE

BELGIE   

Geld verdienen met je site. Start nu.

Prehistorie

Mesresten Prehistorie Belgie

Archeologische vondsten bewijzen dat al lang voor het agrarische neolithicum, Noordwest-Europa werd bewoond door de zogenaamde Neanderthalers. Vuurstenen werktuigen van jagers en vissers dateren van ca. 500.000 v.Chr. Ook vuursteenindustrieën uit het laat-paleolithicum en skeletten uit het Weichselien zijn op verschillende plaatsen aangetroffen. In het neolithicum (ca. 4000 v.Chr.) verschenen de eerste landbouwdorpen met ongeveer 100 inwoners. Vanaf 3500 tot 2000 v.Chr. leefden o.a. in de Kempen, de Leemstreek en de Maasvallei culturen van het midden-neolithicum.
In de midden-bronstijd van ca. 1500 tot 1100 v.Chr. was o.a. in Vlaanderen en de Kempen onder meer de Famennegroep gevestigd. Aan de hand van verschillende grafvormen worden de verschillende andere groepen onderscheiden. Tijdens de ijzertijd waren de Hallstatt-cultuur (700-500 v.Chr.) en de Keltische La Tène-cultuur de belangrijkste. In deze tijd ontstonden ook enkele versterkte markt- en handelsplaatsen en heuvelforten. Bovendien ontstond er een onderscheid tussen krijgers en de gewone bevolking, waarschijnlijk onder invloed van binnenvallende Kelten.

De Romeinse tijd

Belgie munt van Claudius

De door de Romeinen zo genoemde Keltische Belgae werden van 57 tot 51 v.Chr. door Caesar onderworpen en hun gebied werd ingelijfd als een deel van Gallia.
Onder keizer Augustus werd Belgica (zo genoemd sinds 16-13 v.C.) een administratief zelfstandige provincie van het Romeinse Rijk. Tot in de eerste eeuw was het verzet tegen de Romeinse beschaving groot in de Keltische gewesten. Pas onder keizer Claudius trad de eigenlijke romanisering op, maar tegelijkertijd lukte het wel om de sociale structuren te behouden. De culturele omschakeling werd ook bevorderd door de aanleg van een aantal grote wegen en hulptroepen voor het Romeinse leger, die de onderworpen volkeren moesten leveren.
Verder werden de Romeinse kolonies in Trier en Keulen afzetgebied voor de producten van de Noord-Gallische landbouw en de inheemse ambachten. Er ontstonden zelfs enkele grote landbouwbedrijven (villae) en plaatsen als Tongeren en Doornik kregen een stedelijk karakter. Ook kleinere dorpen en gemeenschappen (vici) bloeiden op en de handel met Italië en de rest van Gallia werd steeds intensiever. Aan de kust, in het westen van België, ontstonden vissersdorpen en zoutwinningsbedrijven. Ook de textielnijverheid kwam sterk opzetten en er werden grote kuddes schapen gehouden voor de wol. Andere economische activiteiten waren houthakken, kolenbranden, ijzer-, zink,- en kalksteenwinning.
Vanaf 256 staken Frankische krijgers de Rijn over en werd geheel Gallia geplunderd en werden vele steden en dorpen verwoest. Rond 280 werden de invallers verdreven, maar een stam, de Saliërs bleef de Belgische gebieden binnenvallen. Uiteindelijk werd er tussen de Romeinen en deze Frankische stam rond 296 een verbond gesloten en werden ze als verdedigers van de rijksgrens tussen Nijmegen en de zee aangesteld.
Vanaf ca. 297 werd Belgica door keizer Diocletianus gesplitst in Belgica Prim in het zuidoosten en Belgica Secunda in het westen. Het in het noordoosten gelegen Germania Inferior was al op het einde van de eerste eeuw van Belgica losgemaakt.

De Merovingische en Karolingische periode

Belgie Karel de Grote

Het gezagsvacuüm dat in Noord-Gallia ontstond werd door de Salische Franken aangegrepen om verder naar het zuiden af te zakken en ze maakten Doornik tot de hoofdstad van hun nieuwe rijk. Een van de belangrijkste families waren de Merovingers met onder meer Chlodovech I, die vanuit Doornik de basis legde van het Frankische rijk. Zijn belangrijkste opvolgers, Chlotarius en Dagobert, brachten verdere eenheid in het Frankische rijk.
In 639 werd het rijk echter verdeeld in Austrasië en Neustrië, waarvan de grens dwars door het huidige België liep. De macht van de koningen nam echter zienderogen af doordat de hofmeiers, de beheerders van de koninklijke goederen, hun machtspositie begonnen te verstevigen. In 719 liet Karel Martel zich uitroepen tot hofmeier van het gehele Frankische rijk, en het lukte hem zelfs nog om het grondgebied uit te breiden. Na de dood van koning Theodorik IV oefende Martel in eigen naam de koninklijke macht uit.
In 751 werd de laatste Merovingische vorst afgezet en vestigde zich de dynastie van de Karolingers. Belangrijkste vorst werd Karel de Grote die in 800 keizer werd van een christelijk Europees eenheidsrijk. Ook de macht en de rijkdom van de rooms-katholieke kerk nam sterk toe. Onder het bewind van Karel de Grote en zijn opvolger Lodewijk de Vrome (814-840) heerste er in dit gebied rust en vrede en bloeide de (landbouw)economie hoog op.

De na-Karolingische periode en de middeleeuwse vorstendommen

Guldensporenslag Belgie

Na de dood van Lodewijk de Vrome in 840 verdween de eenheid in het Frankische rijk en door het Verdrag van Verdun in 843 werd het rijk in drieën verdeeld:
Francia Occidentalis of West-Francië, Francia Media of Midden-Francië en Francia Orientalis of Oost-Francië. Het westelijke deel van het huidige België behoorde tot West-Francië, het oostelijke deel tot Midden-Francië en de Schelde vormde de grens tussen beide delen. Het noordelijke deel van Midden-Francië kreeg later de naam Lotharingen en werd in de tweede helft van de 10de eeuw verdeeld in Neder-Lotharingen en Opper-Lotharingen. Het oostelijke deel van het huidige België behoorde tot Neder-Lotharingen.
Vanaf het einde van de negende eeuw verloor de koning in West-Francië (nu: Frankrijk) de absolute macht. De invallen van de Noormannen en het verval van het centrale gezag versterkten dit proces nog. Enkele zogenaamde gouwgraven, in feite ambtelijke bestuurders, zagen hun kans schoon en gingen het gezag in eigen naam uitoefenen. In deze tijd werden dan ook de grondslagen gelegd van het hertogdom Brabant, het graafschap Henegouwen en het graafschap Vlaanderen. Vlaanderen had hierna eeuwenlang af te rekenen met de Franse centralisatiepolitiek, maar wist zijn zelfstandigheid te bewaren. Beroemd in deze tijd werd de Guldensporenslag in 1302.
Andere Lotharingse vorstendommen waren Limburg, Loon, Luxemburg, Namen en Bouillon die vanaf de veertiende eeuw in en groter verband werden opgenomen. Het prinsbisdom Luik bleef tot aan de Franse Revolutie onafhankelijk.
Vanaf ca. 1050 brak voor de achterlijke, agrarische en ontvolkte gewesten die het huidige België vormden, een periode van economische groei aan. Daardoor nam ook de bevolkingsgroei sterk toe en kon men zich ook gaan bezighouden met handel en industrie, wat weer de opkomst van de steden in de hand werkte. Belangrijk werden de lakenindustrie in Vlaanderen, de export van natuursteen en in Luik werd in 1195 de eerste steenkool ontgonnen. De talloze jaarmarkten zorgden voor veel handel, die zelfs buitenlandse kooplieden aantrokken. Kooplieden uit dezelfde stad verenigden zich op een gegeven moment in een "hanze" die zich later weer aaneensloten en steeds machtiger werden. Op deze manier ontstonden de Vlaamse Hanze van Londen die handelde op Engeland en Schotland, en de Hanze der XVII steden, die handelde op Italie.
Vanaf midden veertiende eeuw werd Europa getroffen door een economische depressie en de pest of "zwarte dood" zorgde ervoor dat eenderde van de Europese bevolking uitgeroeid werd. De gewesten van het huidige België hadden gelukkig veel minder te leiden onder de economische depressie. Zo verschenen in Luik de eerste hoogovens, die de ijzerproductie geweldig opschroefden, en bleef Brugge een voorname handelsstad tot eind 15e eeuw.

De Bourgondische periode

Filips de Goede Belgie

Na de dood in 1384 van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, deed het Huis van Bourgondië zijn intrede in de geschiedenis der Nederlanden. De opvolgster van Lodewijk was namelijk Margaretha van Male, die in 1369 getrouwd was met Filips de Stioute, hertog van Bourgondië. Onder diens bewind werden de meeste vorstendommen die het huidige België vormen, opgenomen in de Bourgondische gewesten die later de Zuidelijke Nederlanden werden genoemd.
Zijn kleinzoon Filips de Goede werd in 1430 hertog van Brabant-Limburg en dwong in 1433 Jacoba van Beieren haar graafschappen Holland-Zeeland-Henegouwen af te staan. In 1451 werd Filips tevens hertog van Luxemburg en was hij er in geslaagd om al deze gebieden in een personele unie te verenigen. Zijn zoon en opvolger Karel de Stoute probeerde nog tevergeefs om Elzas-Lotharingen te veroveren om zodoende de Nederlandse gewesten met elkaar te verbinden.
Door het huwelijk van zijn dochter Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk werd vooralsnog voorkomen dat Frankrijk de Nederlanden aanviel en het zorgde er tevens voor dat het Huis Habsburg in de Bourgondische erfenis werd gebracht. Tot 1494 voerde Maximiliaan het regentschap voor zijn zoon Filips de Schone. Filips de Schone zou tevens de laatste vorst zijn die van 1494-1506 een persoonlijk bewind over de Nederlanden zou voeren.
Een aantal centrale instellingen zorgden in de Bourgondische tijd voor het bestuur van de gebieden. De kanselier was de centrale figuur in de regering en tevens voorzitter van de Hofraad. Uit deze Hofraad kwamen een aantal gespecialiseerde instellingen voort: de Grote Raad voor de rechtspraak, de Rekenkamer voor de financiën en de Geheime Raad voor het politieke beleid. In de gewestelijke Staten waren de adel, de geestelijkheid en de steden vertegenwoordigd. In 1464 vond de eerste gezamenlijke vergadering, de Staten-Generaal plaats, die zich vooral bezig hield met politieke problemen. In die tijd ontstonden ook gewestelijke regeringsorganen als de Raad van Vlaanderen, de Raad van Brabant en rekenkamers in Rijssel en Brussel.
De economische geschiedenis onder de Bourgondiërs werd sterk beïnvloed door de politieke gebeurtenissen van die tijd. Zo leed de internationale handel sterk onder de in 1337 begonnen Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Vanaf de vijftiende eeuw verschoof ook het politieke en dus economische zwaartepunt van Vlaanderen naar Brabant. Eind vijftiende eeuw werd Antwerpen de hoofdzetel van de Portugese specerijenhandel in Noordwest-Europa.

Het ontstaan van de Zeventien Provinciën

Karel V Belgie

Sinds de dood van Filips de Schone in 1506 waren de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden een vast bestanddeel van het erfgoed van de Habsburgers en werden de koningen en keizers van Habsburg vertegenwoordigd door landvoogden, waaronder de bekende Margaretha van Oostenrijk. Zij kreeg al snel problemen met de Staten-Generaal, maar vanaf 1517 kreeg zij het bewind over de Nederlanden weer strak in handen.
In dat jaar vertrok Karel van Luxemburg, later Karel V, naar Spanje en droeg het bestuur over aan de Grote Raad, waarin ook Margaretha zitting had. Karel V slaagde erin om een einde te maken aan het leenheerschap van Frankrijk over Vlaanderen, Artesië en Doornik.Na de dood van Margaretha in 1530 zette Karel V zich erg in voor de eenmaking van de Nederlanden. Dit kreeg in 1549 gestalte door de zogenaamde Pragmatieke Sanctie. Het bestuur over de Nederlanden kwam in handen van landvoogdes Maria van Hongarije en de Raad van State.

De opstand tegen het Spaans bewind van Filips II

Alva Belgie

In 1555 werd Karel V opgevolgd door de absolute vorst Filips II. Dit absolutisme stuitte op veel verzet van de hoge adel in de Nederlanden. Daar kwam nog bij dat het protestantisme begin zestiende eeuw in de Nederlanden opdook. Vanaf 1522 ontstond er een streng repressief beleid door o.a. de staatsinquisitie. Dit alles leidde er echter niet toe dat het protestantisme ingeperkt werd en in 1565 werd er een eedverbond opgericht, waarvan vele leden de Reformatie of godsdienstvrijheid aanhingen. In 1566 vond de Beeldenstorm plaats en toen was voor Filips de maat vol. Landvoogdes Margaretha van Parma werd vervangen door de hertog van Alva, die een zeer streng en bloedig bewind voerde.
Het verzet hiertegen werd geleid door Willem van Oranje, die de Nederlanden aanvankelijk was ontvlucht maar vanaf 1568 de Tachtigjarige Oorlog ontketende. Deze oorlog in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden kende een wisselend verloop wat sterk samenhing met de opstelling van westerse mogendheden als Engeland en Frankrijk. Uiteindelijk wisten de Noordelijke Nederlanden in 1648 onafhankelijkheid te bewerkstelligen.
De Spaanse troepen opereerden vanuit de Zuidelijke Nederlanden die daardoor erg te lijden hadden. In 1576 overleed landvoogd Requesens, de opvolger van Alva, en op initiatief van de Staten van Brabant werd in datzelfde jaar de Pacificatie van Gent gesloten die vrijheid van godsdienst garandeerde. De opstandelingen hielden zich hier echter niet aan en als reactie hierop keerden de katholieken zich van hen af en verenigden zich in 1575 in de Unie van Atrecht met Filips II. De hertog van Parma, Farnese, onderwierp daarop vrijwel geheel Vlaanderen en een groot deel van Brabant. Veel gebieden werden heroverd en het katholicisme werd de staatsgodsdienst terwijl het protestantisme nagenoeg van de kaart verdween.

Onder Spaans bewind

Filips II Belgie

Kort voor zijn dood stond Filips II de soevereiniteit over de Nederlanden af aan zijn dochter Isabella en haar man Albrecht van Oostenrijk. Uiteindelijk lukte het slechts om de Zuidelijke Nederlanden te regeren. Albrecht startte onderhandelingen met de noordelijke Republiek der Verenigde Nederlanden en dat leidde in 1609 tot het Twaalfjarig Bestand waardoor in feite de onafhankelijkheid van de Republiek werd erkend. Albrecht overleed in 1621 en meteen keerden de Zuidelijke Nederlanden onder Spanje terug en werd de oorlog hervat. Deze oorlog eindigde pas bij de Vrede van Munster in 1648, waarbij de Zuidelijke Nederlanden Noord-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en een groot deel van de Landen van Overmaze moesten prijsgeven.
Sinds 1635 waren de Zuidelijke Nederlanden ook nog regelmatig in oorlog met Frankrijk en deze strijd werd voornamelijk op "Belgisch" grondgebied uitgevochten. Een deel van Henegouwen en Vlaanderen ging verloren, maar een totale inlijving door de Fransen kon met behulp van de Republiek en Engeland voorkomen worden.
Economisch was de oorlog voor de Zuidelijke Nederlanden desastreus. Antwerpen verloor zijn status als internationaal commercieel centrum en door plunderingen, hongersnood en pest leed ook het platteland. Pas met de aanstelling van Isabella en Albrecht keerde het economische tij zich weer wat, maar in de tweede helft van de 17e eeuw zette de dalende trend zich weer in door dalende landbouwprijzen. Eind 17e eeuw werd een economisch dieptepunt bereikt door voortdurend oorlogsgeweld en opnieuw werd de bevolking getroffen door ernstige hongersnood.

Onder Oostenrijks bewind

Maria Theresia Belgie

Na de Vrede van Utrecht in 1713 werden de Zuidelijke Nederlanden toegewezen aan de Oostenrijkse keizer Karel VI. Hij werd vertegenwoordigd door een gouverneur-generaal en het dagelijks bestuur was in handen van een gevolmachtigd minister. In eerste instantie was dit de markies van Prié die al snel in conflict kwam met de gilden en edelen.
Na de dood van Karel VI brak de Oostenrijkse Successieoorlog uit en ook nu werd deze weer uitgevochten op Zuid-Nederlands grondgebied. Hij werd opgevolgd door zijn dochter Maria Theresia die na de Vrede van Aken in 1748 het bewind over de Zuidelijke Nederlanden kon gaan voeren. Ook zij liet dit echter weer doen door een gouverneur-genraal, o.a. Karel van Lotharingen, en een gevolmachtigd minister, o.a. de graaf van Cobenzl. Cobenzl zorgde voor een culturele en vooral economische opleving. Hij hervormde de financiën en wist de centrale macht van Brussel te verstevigen.
Deze centralistische en absolutistische politiek werd nog krachtiger voortgezet door de zoon van Maria Theresia, Jozef II. Ook het bestuursstelsel en het gerecht werden door hem in 1787 gemoderniseerd. Dat stuitte op veel verzet in alle lagen van de bevolking wat uiteindelijk leidde tot de Brabantse Omwenteling van 1789, waarna de Staten-Generaal in 1790 de onafhankelijkheid uitriep van de zogenaamde “Verenigde Belgische Staten”, een statenbond met maar weinig bevoegdheden voor het overkoepelende congres. Bovendien werd het verbond geteisterd door verdeelde fracties en gewestelijk particularisme.
In 1792 vielen de Fransen de Zuidelijke Nederlanden binnen en wisten het hele land en tevens het prinsbisdom Luik te bezetten. In 1793 leden ze echter een zodanige nederlaag bij Neerwinden dat ze zich moesten terugtrekken. Op 26 juni 1794 wisten de Fransen in de Slag bij Fleurus een definitieve overwinning te behalen.

De inlijving bij Frankrijk

Belgie Slag bij Waterloo

Meteen na deze overwinning van de Fransen werden de hervormingen van de Franse Revolutie langzaamaan ingevoerd en werd het ancien régime, de oude sociale en politieke orde, afgeschaft. Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden als Belgische departementen bij de Franse Republiek ingelijfd. Kerkvervolging en dienstplicht zorgden in 1798 voor opstanden.
Rust kwam er pas met het consulaat van Napoleon I Bonaparte en met het concordaat dat de paus met Napoleon sloot. Tijdens de Franse tijd kon zich de in Engeland ontstane industriële revolutie ontwikkelen. Zo werd de textielindustrie gemechaniseerd, ontstond er een militaire industrie die leverde aan het Franse leger en werden er moderne fabrieken gebouwd. De bevolking kwam wel in opstand tegen de dienstplicht en de zware belastingen.
Het verfransingsproces in Vlaanderen werd versneld door het invoeren van het Frans als officiële taal. Het was dan ook niet vreemd dat bij de Slag bij Waterloo Belgen zowel met als tegen Napoleon streden; uiteindelijk leed Napoleon Bonaparte bij Waterloo in 1815 zijn definitieve nederlaag.

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de Belgische Revolutie

Leopold I en familie Belgie

Op 21 juni 1814 ondertekenden de grote mogendheden de "Acht Artikelen van Londen", waarbij tot de hereniging van Noord- en Zuid-Nederland werd besloten. Dit gebeurde op initiatief van Engeland dat na de ineenstorting van het Franse rijk een sterke bufferstaat wilde vormen tegen Frankrijk. In juli van dat jaar werden de artikelen aanvaard door Willem I en op 21 september 1815 legde hij de grondwettelijke eed af als "Koning der Nederlanden".
Het beleid van Willem I zorgde voor een verdere economische en industriële ontwikkeling van de Belgische gewesten. Helaas profiteerde de gewone man hier niet van. Wel werd het analfabetisme aangepakt door uitbreiding van het lager onderwijs en werd ernaar gestreefd om van het Nederlands de officiële taal in Vlaanderen te maken. De katholieken verzetten zich echter hevig tegen de onderwijspolitiek van de koning en er ontstond een heuse schoolstrijd. Na 1825 sloten liberalen en katholieken zich aaneen en in 1828 kwam de Unie van de katholieke en liberale oppositie tot stand (Unionisme).
Door de slechte economische toestand en de Franse Julirevolutie kwam het op 25 augustus 1830 tot relletjes in Brussel. Dit leidde uiteindelijk tot de afscheuring van de zuidelijke provincies en tot de oprichting van het Koninkrijk België. Deze gebeurtenis wordt ook wel de Belgische Revolutie genoemd. Het Voorlopig Bewind riep op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uit. Op 3 november werd door een select groepje mensen het Nationaal Congres gekozen dat op 7 februari 1831 de Grondwet goedkeurde.
Na een conferentie op 4 november te Londen erkenden de grote mogendheden op 20 december 1830 de scheiding tussen Nederland en België. Op 3 februari 1831 werd de hertog van Nemours, de tweede zoon van de Franse koning, gekozen tot "koning der Belgen". Hij weigerde echter en op 24 februari werd Surlet de Chokier, de voorzitter van het Nationaal Congres, tot regent aangesteld. Op 4 juni 1831 werd Leopold van Saksen-Coburg-Cotha door het Congres tot staatshoofd gekozen en op 21 juli legde hij de eed af als eerste koning van de Belgen.
Na de revolutie van 1830 dacht men in bepaalde kringen dat de jonge Belgische staat koloniën nodig had om verzekerde afzetgebieden voor zijn industriële productie te verwerven. Deze gedachten werden vooral gedeeld door koning Leopold I, die uit eigen middelen reizen en ondernemingen financierde, die echter steeds op een mislukking uitliepen.

Tot de Eerste Wereldoorlog

Leopold II Belgie

Na de onafhankelijkheid kwam het Unionisme onder druk te staan door de weer opspelende levensbeschouwelijke tegenstellingen. Zo wilden de katholieken eigenlijk niet langer samenwerken met de liberalen na een veroordeling vanuit Rome van het liberale karakter van het katholicisme. De liberalen van hun kant wezen het Unionisme af doordat zij vreesden dat de kerk een te grote invloed zou gaan hebben op het openbare leven. Het Unionisme bleef echter bestaan door tussenkomst van koning Leopold I en de katholieken. Zij zagen in het Unionisme de beste waarborg voor een combinatie van het eigen gezag en de kerkelijke belangen.
Toch kwam aan het Unionisme een eind door de opkomst van de Liberale Partij in 1846, die meteen aan de macht kwam na de verkiezingen van 1847. Meteen staken de tegenstellingen tussen liberalen en katholieken weer de kop op en opnieuw was de onderwijspolitiek een bron van onrust met rond 1880 weer het oplaaien van de schoolstrijd, waarbij uiteindelijk de katholieken baat vonden. In 1884 wonnen de katholieken de verkiezingen en zij bleven dertig jaar aan de macht.
Economisch veranderde België vrij snel van een landbouwstaat in een industriestaat met als belangrijke sectoren mijnbouw en metaalindustrie. Ook de aanleg van een spoorwegnet vanaf 1834 zorgde voor economische impulsen. De buitenlandse handel werd gestimuleerd en het bank- en verzekeringswezen nam een hoge vlucht. Het economisch liberalisme zorgde echter ook voor armoede en ellendige leefomstandigheden die resulteerden in een aantal uit socialistische groepen bestaande Belgische Werkliedenpartij (1885) die stakingen en opstanden organiseerde. Deze aandacht voor de sociale omstandigheden van de arbeiders leidde tot een aantal sociale wetten en de invoering van algemeen meervoudig kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar in 1893. Vooral de liberalen hadden onder deze ontwikkeling sterk te lijden.
Een nieuw kiesstelsel betekende een terugval van het zetelaantal van 61 in 1892 naar 20 in 1894. Vanaf ca. 1860 zorgde de Vlaamse Beweging ervoor dat de verfransing van Vlaanderen op de politieke kaart kwam te staan. De taalwetgeving resulteerde in 1898 tot de Gelijkheidswet. Wat de buitenlandse en militaire politiek betrof bleef België sinds 1831 aan neutraliteit vasthouden. In 1909 werd de persoonlijke dienstplicht ingevoerd en in 1913 de algemene persoonlijke dienstplicht. Deze hervorming kwam te laat om enig effect te hebben toen België op 2 augustus 1914 door een Duits ultimatum in de Eerste Wereldoorlog werd betrokken.
Koning Leopold II was evenals Leopold I een vurig voorstander van expansie in het buitenland. Naar aanleiding van de tochten van Livingstone and Stanley richtte hij in 1876 de Association Internationale Africaine op. Hij kreeg echter weinig medestanders en nam daarop Stanley in dienst. Deze zou een expeditie naar de Congo-rivier ondernemen, gefinancierd door de Association Internationale du Congo. Stanley had ondertussen al een overeenkomst gesloten met 450 stamhoofden die de soevereiniteit over hun gebieden hadden afgestaan. Door de Akte van Berlijn van 1885 werd de Association als een soevereine staat erkend. In april mocht Leopold als staatshoofd van de Onafhankelijke Kongostaat optreden en kreeg zelfs financiële steun van het parlement. In 1890 werden nog meer gebieden veroverd en stonden de beide Kamers een nieuwe lening toe. Voorwaarde was wel dat België de Kongostaat kon overnemen als de Association zou verzaken om de lening terug te betalen. Leopold wilde de rubber- en ivoorexploitatie monopoliseren en zette zich daarmee af tegen de Akte van Berlijn, die voor vrijhandel pleitte. Hiertegen volgden vele protesten met als gevolg een verdeling in een kroondomein (voor de Kongostaat), een vrijhandelszone en een voor de handel gesloten gebied. De geplande overname van de Kongostaat door België ging in 1901 niet door. In 1904 werd een internationale onderzoekscommissie opgericht door Leopold die alle misstanden moest rapporteren. Na de uitkomst van het rapport liet Leopold op 3 juni 1906 weten dat hij bereid was tot een soevereiniteitsoverdracht, op het kroondomein na. Op 28 november 1907 werd de akte van afstand getekend en op 15 november 1908 werd de Kongostaat onder de nieuwe naam Belgisch Congo een kolonie van België. De aanspraken van het kroondomein werd na Leopolds dood in 1909 ongedaan gemaakt.

Eerste Wereldoorlog

Belgie 1e Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog startte op 4 augustus 1914 met het binnenvallen van België door Duitsland. Het lukte de Belgen alleen om de opmars van de Duitsers te vertragen, maar al in oktober moest het Belgische leger zich terugtrekken tot achter het riviertje de IJzer in het zuidwesten van België. Koning Albert bleef in België maar de regering trok zich terug in het Franse Le Havre. Van echt verzet was weinig sprake, maar ook het aantal mensen (de zogenaamde activisten) dat samenwerkte met de Duitse bezetters was maar gering. Eind september 1918 begon het bevrijdingsoffensief waarna op 11 november de wapenstilstand werd gesloten. Bij het Verdrag van Versailles in 1919 werd de neutraliteitspositie van België opgeheven, mocht het een mandaat uitoefenen over Rwanda-Oeroendi en annexeerde het de Duitse gebieden Eupen, Malmédy en Sankt Vith, de zogenaamde Oostkantons.

Tussen de beide wereldoorlogen

Belgie Henri Jaspar

Na 1918 werden er, ondanks het gebrek aan een totale visie op het kolonialisme, belangrijke vernieuwingen in de kolonies ingevoerd, waardoor Belgisch-Congo een van de meest voorbeeldige Afrikaanse kolonies werd met vormen van indirect bestuur, sociale en medische voorzieningen en lager onderwijs.
In 1919 werd het enkelvoudig algemeen kiesrecht ingevoerd, dat tot 1949 alleen voor mannen zou gelden. Men was nu bijna altijd aangewezen op coalitieregeringen en in de periode van de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog tot het begin van de Tweede Wereldoorlog kwam het zelfs vaak tot een samenwerkingsverband van de drie zogenaamde nationale partijen, de katholieken, de socialisten en de liberalen. In alle andere kabinetten tot de Tweede Wereldoorlog deden de katholieken met óf de liberalen óf de socialisten als partner mee.
Andere partijen die zich in het interbellum manifesteerden waren het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), dat steeds meer neigde naar het fascisme en het nationaal socialisme, en de Communistische Partij van België (CPB: nu KPB)
Het herstel van de economie kwam pas na 1925 weer goed op gang. Tot die tijd zorgde met name het voortdurende waardeverlies van de frank voor economische malaise. Het kabinet-Jaspar (1926-1927) liet de frank devalueren en deze muntontwaarding gaf de handel en de industrie sterke impulsen. Helaas kwam aan deze economische opgang al snel een einde na wereldcrisis in de jaren dertig. Pas na een nieuwe devaluatie van de frank in 1935 herstelde de economie zich weer. In de jaren tussen de beide wereldoorlogen werd ook de sociale wetgeving aangepakt en dat resulteerde o.a. in stakingsrecht (1921), een achturige werkdag (1921) en minimumloon (1936). In 1925 sloot België zich aan bij de Locarno-verdragen, waardoor het in een ruimer systeem van collectieve veiligheid werd opgenomen. Nadat Duitsland de verdragen opzegde, keerde België weer terug naar een neutraliteitspolitiek. Ook nu kon echter niet voorkomen worden dat België in een volgende wereldoorlog terechtkwam.

De Tweede Wereldoorlog

Belgie Ardennenoffensief

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen zonder oorlogsverklaring België binnen en op 28 mei capituleerde België. Koning Leopold III bleef in België, maar de ministersploeg week uit naar Frankrijk en later naar Londen. Het volledig bezette België kreeg ondertussen een militair bestuur. Na een aanvankelijk aarzelend begin breidde de van bij het begin ontstane verzetsbeweging zich na de winter van 1941 snel uit.
De Belgische economie werd door de Duitsers ingezet in de oorlogsvoering en er kwam een verplichte arbeidsdienst. Bij de collaborerende partijen hoorde uiteraard de VNV, maar erger waren de sterk pro-Duitse Vlaamse SS en DeVlag. Na de geallieerde doorbraak vanuit Normandië werd Brussel op 2 september 1944 bevrijd en een paar weken later praktisch geheel België. Na het Ardennenoffensief was België weer een vrij land.

Periode 1945-1970

Boudewijn Belgie

Na de Tweede Wereldoorlog veranderen alle grote partijen van naam. De Katholieke Partij werd de Christelijke Volkspartij (CVP), de BWP werd de Belgische Sociale Partij (BSP) en de Liberalen vormden hun partij in 1961 om tot de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV). Het Vlaams-nationalisme kwam in 1954 terug in de politiek door de Volksunie (VU). In de jaren tachtig kwamen "groene" partijen als Agalev en Ecolo in het parlement en het extreem rechtse Vlaams Blok.
Na de Tweede Wereldoorlog werden er eerst twee regeringen van nationale unie samengesteld. Na 1946 volgden vele coalitieregeringen met wisselende samenstellingen en af en toe een eenpartijkabinet onder de CVP.
Na de Tweede Wereldoorlog staken de levensbeschouwelijke tegenstellingen al weer snel de kop op en ook de omstreden houding en eventuele terugkeer van Leopold III als koning leverden grote conflicten tussen de partijen op. Voeg daarbij de voortdurende Vlaams-Waalse tegenstellingen en dit alles bracht België op de rand van een burgeroorlog. Deze kon alleen voorkomen worden door de troonsafstand van Leopold III in 1951 ten voordele van zijn zoon Boudewijn.
Economisch wist België zich snel te herstellen van de oorlog door o.a. het Marshall-plan, de Benelux en ander Europese verbanden, de muntsanering van 1944 en het op dreef brengen van de steenkoolproductie en de relatief intact gebleven industriële infrastructuur. De schoolstrijd laaide ook weer op toen het socialistisch-liberale kabinet Van Acker de ruime subsidiëring van vrij (katholiek) onderwijs ongedaan maakte. In 1958 werd het Schoolpact door de drie nationale partijen gesloten waardoor de onrust in onderwijsland terugkeerde. Ondanks de economische vooruitgang bleven er veel mensen werkloos en pas vanaf 1959 trad daar verbetering in na de aangenomen Wet op de regionale expansie. Economische schaalvergroting, met name door de inwerkingtreding van de Europese Economische Gemeenschap, zorgde vanaf 1960 voor een periode van hoogconjunctuur. In 1966 werd er een tweede regionale expansiewet uitgevaardigd, die een nieuwe periode van hoogconjunctuur opleverde.
Na de Tweede Wereldoorlog nam de onafhankelijkheidsidee in Belgisch-Congo een steeds duidelijker vorm aan. Onlusten in Leopoldstad dwongen de Belgische regering ertoe om het recht van Belgisch-Congo op onafhankelijkheid te erkennen (13 januari 1959). Zonder noemswaardige tegenstand van de regering werd Belgisch –Congo op 30 juni 1960 een zelfstandige staat. Meteen braken daar onlusten uit die Belgie noopten tot een militaire interventie.
Het mandaat dat België na de Eerste Wereldoorlog over twee provincies van Duits Oost-Afrika, Oeroendi en Rwanda had gekregen, liep op 1 juli 1962 af en het gebied werd gesplitst in de onafhankelijke staten Rwanda en Boeroendi. Op het buitenlandse vlak werd de Benelux geleidelijk in werking gesteld en sloot Belgie zich aan bij diverse internationale organisaties als de West-Europese Unie, de Navo en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS).
De Vlaamse Beweging herstelde zich enigszins na de beëindiging van de schoolstrijd en daarna werden de Vlaams-Waalse verhoudingen weer aangepakt. Zo werd in 1962 de taalgrens vastgelegd en in 1963 de taalwetgeving herzien. Ook het idee van de federatie stak weer de kop op, ondanks grote bedenkingen bij de drie grote partijen. Toch werd de procedure tot herziening van de Grondwet ingezet, maar de CVP-BSP regering wist midden jaren zestig geen tweederde meerderheid te halen om de herzieningen door te voeren. De verkiezingen van 31 maart 1968 leverde veel zetelwinst op voor de federalistische partijen op.

De jaren zeventig

Wilfried Martens Belgie

In de jaren zeventig werd ook België getroffen door de internationale economische crisis en werd afgerekend op de verouderde economie. Een herstructurering van de textiel-, steenkool-, en staalindustrie was hard nodig.
De sluiting van vele bedrijven en het verlies van duizenden arbeidsplaatsen werd daarbij voor lief genomen. De werklosheid groeide in iets meer dan tien jaar tijd van 3,4% in 1972 tot 18,5% in 1983. Dit zorgde weer voor grote begrotingstekorten en een gigantische toename van de staatsschuld.
De centrum-rechtse regeringen-Martens voerden vanaf 1982 een streng saneringsbeleid om het begrotingstekort in te dammen en dat beleid begon op het einde van de jaren tachtig vruchten af te werpen: het begrotingstekort kon worden teruggedrongen en de werkloosheid begon te dalen, mede dankzij de heroplevende conjunctuur.
Vanaf 1970 stond de politiek voornamelijk in het teken van de staatshervorming. Er volgde economische decentralisatie en met een grondwetsherziening kwam er een einde aan het unitaire België. België werd verdeeld in vier taalgebieden, drie cultuurgemeenschappen en drie gewesten. Het geheel van de staatshervorming strandde echter in oktober 1978 op Vlaams verzet en grondwettelijke bezwaren van de CVP, de partij van Martens.

1980-2000

Jean-Luc Dehaene Belgie

In 1980 werd de nieuwe grondwetsherziening alsnog doorgevoerd onder het zespartijenkabinet van Wilfried Martens. Hierdoor werd de gemeenschapsautonomie ruimer en werd de gewestvorming tot stand gebracht. Alleen over het statuut van Brussel bleek en bleef onenigheid bestaan. Al snel bleek dat er aan de staatshervorming vele haken en ogen zaten. Er ontstonden problemen over de staatshulp aan met name Waalse staalbedrijven en de taalkennis van politieke figuren in de Vlaamse faciliteitsregeringen. De kwestie rond burgemeester José Happart van Voeren leidde in de herfst van 1987 tot het aftreden van het kabinet en de langste regeringscrisis uit de Belgische geschiedenis, namelijk van december 1988 tot mei 1989. Dit alles was min of meer het sein om de verdere hervorming van de staat te vervroegen. Een nieuwe grondwetswijziging in 1988 gaf de gewesten, de gemeenschappen en het stadsgewest Brussel nog meer autonomie en financiële vrijheden. De parlementsverkiezingen zorgde voor grote verschuivingen binnen de Belgische politieke wereld. Alle grote partijen verloren zetels en de winst ging in Vlaanderen naar het uiterst rechtse Vlaams Blok en in Wallonië naar de milieupartij Ecolo.
Premier Martens werd opgevolgd door de Christen-Democraat Jean-Luc Dehaene die in 1992 een rooms-rood kabinet vormde. Voor Dehaene was het verminderen van de veel te hoge staatsschuld de belangrijkste doelstelling. Andere speerpunten van deze regering waren de sanering van de rijksbegroting, het terugdringen van de werkloosheid en de hervorming van de sociale zekerheid. Het begrotingstekort (1,3%) was in 1998 zodanig teruggedrongen dat België opgenomen werd in de Europese Monetaire Unie (EMU).
Na een grondwetsherziening in 1993 werd België een echte federale staat en werden de bevoegdheden van staat, gemeenschappen en gewesten officieel vastgelegd. Tevens werd het federale tweekamerstelsel hervormd en kwamen er rechtstreekse verkiezingen van de regionale parlementen. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kreeg zijn statuut in 1989. Op 31 juli 1993 overleed koning Boudewijn en werd opgevolgd door zijn broer, Albert II.

Bij de parlementsverkiezingen van 13 juni 1999 leden de regeringspartijen een grote nederlaag. Deze verkiezingen stonden in het teken van een dioxine-crisis die net voor de verkiezingen uitbrak. Op 27 mei werd bekend dat kippen en eieren via veevoeder besmet waren geraakt met dioxine. Omdat later bleek dat de verantwoordelijke ministers al veel langer van de problemen afwisten lag een zware verkiezingsnederlaag van de regeringspartijen voor de hand.
De CVP leed de grootste verliezen en de grootste fractie werd nu de Vlaamse Liberalen en Democraten (VLD). De grootste winnaars werden uiteraard de groene partijen Ecolo in Wallonië en Agalev in Vlaanderen. Ook het extreem-rechtse Vlaams Blok won in Vlaanderen, hoewel niet zoveel als verwacht. Daags na de verkiezingen bood premier Dehaene het ontslag van zijn kabinet aan en stelde zich niet langer beschikbaar voor een volgende regeringsperiode. Guy Verhofstadt, de latere premier en voorzitter van de VLD, werd tot formateur aangesteld en bracht een regering van liberalen, socialisten en groenen tot stand. Voor het eerst sinds 1958 werd er geregeerd zonder de CVP.
Tijdens de Kosovo-crisis in 1999 namen 600 Belgische paracommando’s deel aan Allied Harbour, de NAVO-operatie ter bescherming van de Kosovaarse vluchtelingen in Albanië. In datzelfde jaar vertrokken 1100 militairen naar Kosovo om deel te nemen aan KFOR, de NAVO-vredesmacht voor Kosovo.
In december 1999 kondigde de regering Verhofstadt aan om opnieuw een actief buitenlands beleid te voeren, met name in Centraal-Afrika waar o.a. de oude kolonie van België, Congo, ligt. Zo gauw daar vrede in de regio zou zijn zou België zich inspannen om de wederopbouw politiek en financieel te steunen.
Op 4 december 1999 trad kroonprins Filip in het huwelijk met Mathilde d’Udekem d’Acoz die vanaf die dag de titel "prinses van Belgie" draagt.
Op 1 januari 1999 werd de euro ingevoerd en vanaf 1 januari 2002 werd de frank volledig door de euro vervangen.

2000-2014

Guy Verhofstadt Belgie

Grote winnaar bij de verkiezingen van 18 mei 2003 waren de socialisten, grote verliezers de groenen, waarna op 12 juli een paarse coalitie van liberalen en socialisten (VLD, MR, SP.A en PS) aantrad, wederom onder leiding van Verhofstadt. De Groenen verdwenen uit de federale regering (en ook uit het fede rale parlement).

De nieuwe regering heeft een ambitieus binnenlands programma, en streeft onder andere naar het creëren van 200.000 nieuwe banen tijdens de regeringsperiode. Ook worden de eerder ingezette administratieve hervormingen voortgezet, met speciale focus op de verbetering van het rechtssysteem en de politie. De Copernicushervormingen, ingevoerd door Verhofstadt I ter renovatie van het overheidsapparaat waarbij het voormalige systeem van ministeries werd omgevormd tot federale overheidsdiensten (fod's), zijn echter goeddeels teruggedraaid. Ook heeft de regering een uitzondering gemaakt op het verbod van tabaksreclame voor het racecircuit Francorchamps in de hoop de Belgische Grand Prix terug te krijgen. De verantwoordelijkheid voor wapenexport werd naar de gewesten gedelegeerd, dit in het belang van met name de Waalse wapenindustrie. Na een lange discussie over invoering van het migrantenstemrecht (VLD tegen, de andere drie coalitiepartners voor) werd dit in februari (op lokaal niveau) ingevoerd. Verhofstadt II wordt algemeen als minder stabiel dan Verhofstadt I gezien. De volgende federale verkiezingen zijn gepland op 13 juli 2007. De federale en regionale verkiezingen worden niet (meer) tegelijkertijd gehouden. De laatste regionale verkiezingen vonden plaats op 13 juni 2004. Een gevolg van deze verkiezingen is dat voor het eerst sinds de totstandkoming van de gewesten het Belgische politieke systeem een asymmetrische samenstelling kent. Dit betekent dat op gewestelijk niveau er een andere coalitie regeert dan op federaal niveau. In de huidige situatie zijn de Vlaamse christen-democraten (CD &V) op gewestelijk niveau regeringspartij maar op federaal niveau oppositiepartij. Vanzelfsprekend komen door een dergelijke asymmetrie de politieke verhoudingen in België (nog meer) onder spanning te staan.

Bij de laatste regionale verkiezingen van 13 juni 2004 heeft het rechts-nationalistische Vlaams Belang (voorheen: Vlaams Blok) haar electorale groei doorgezet. Na het kartel CD&V/NV-A is het VB de grootste partij van Vlaanderen. Aan besturen is het VB nog nooit toegekomen. Het door de andere partijen gesloten cordon sanitaire -de traditionele Vlaamse partijen boycotten tot nu toe elke coalitie met het Belang-heeft dit vooralsnog voorkomen. De vraag is echter hoelang het cordon nog houdbaar is zolang het VB blijft groeien.

In oktober 2006 vinden in België Gemeenteraadsverkiezingen plaats, partijen verdeeld over het gehele spectrum hebben gepolariseerde verkiezingsprogramma’s waardoor de onderlinge politieke spanningen tastbaarder worden. De Gemeenteraadsverkiezingen worden gezien als een indicatie voor de uitkomst van de landelijke verkiezingen van 2007.

Herman van Rompuy Belgie

Na de verkiezingen van 10 juni 2007 werden achtereenvolgens Didier Reynders en Jean-Luc Dehaene aangesteld tot informateur. Beiden slaagden niet in hun opdracht omwille van de communautaire patstelling en de moeilijke relatie van de CDH van Joëlle Milquet met de MR van Didier Reynders. Vooral de Vlaamse vraag voor een verdere staatshervorming en een onvoorwaardelijke splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde bemoeilijkten de taak van formateur Yves Leterme. Op donderdag 23 augustus 2007 heeft de formateur zijn ontslag aangeboden aan koning Albert, die het heeft aanvaard. Op 29 augustus 2007 heeft de koning na gesprekken met enkele ministers van staat de CD&V-er Herman Van Rompuy als 'verkenner' aangeduid om het communautaire veld te ontmijnen en om de regeringsonderhandelingen uit het slop te halen. Eind september werd Yves Leterme voor de derde keer formateur, maar begin november werden zijn formatiepogingen definitief van tafel geveegd, omdat cdH-leidster Joelle Milquet weigerde te antwoorden op Letermes ultieme 3 vragen om door te gaan met de onderhandelingen. De eenzijdige goedkeuring van de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde eerder die maand door de Vlaamse politici in de Kamercommissie had daar geen goed aan gedaan, net zomin als de daarop volgende alarmbelprocedure die de Walen wegens belangenvermenging inriepen. Na Letermes ontslag kwam in december premier Guy Verhofstadt opnieuw op de proppen, die net voor Kerstmis een nieuwe interim regering op de been bracht tot 23 maart met christendemocraten, liberalen en socialisten. Dit kerstkabinet bestaat uit 7 Vlaamse ministers (inclusief de eerste minister, Guy Verhofstadt) en 7 Waalse ministers. In maart 2008 komt er een voorlopig eind aan de crisis en treed een kabinet aan onder leiding van Yves Leterme. In het najaar van 2008 is het alweer gedaan met de rust en valt Leterme over de Fortis kwestie, hij heeft geprobeerd de rechtszaak over de bankdeal te beïnvloeden. In december 2008 probeert de Koninklijke verkenner oud-premier Martens de partijen te bewegen om door te gaan met dezelfde partijen, maar met een nieuwe premier. Op 2 januari 2009 wordt de nieuwe regering aangesteld met als premier Herman Van Rompuy. In november 2009 wordt van Rompuy de nieuwe voorzitter van de Europese Raad. Leterme keert terug als premier. Na een ruzie over de Vlaams-Waalse kwestie valt het kabinet in april 2010. Bij de verkiezingen van juni 2010 wordt in Vlaanderen de Vlaamse alliantie de grootste partij en winnen in Wallonië de socialisten. Ellio de Rupo wordt in december 2011 premier na een recordtijd (541 dagen) zonder regering. In juli 2013 treedt Koning Albert II af ten gunste van zijn zoon Philipe. In mei 2014 wordt de N-VA de separatistische Vlaamse partij de grootste in Vlaanderen en de koning vraagt haar leider om naar de mogelijkheden te kijken om een nieuwe regering te vormen.

Belgie Koning Philippe en Koningin Mathilde


BELGIE LINKS

Advertenties
• KRAS België aanbiedingen
• Belgie Elmar Reizen Vergelijken en Boeken
• Autohuur Belgie
• België met de Trein
• België Neckermann Reizen
• Vrij Uit vakantie Belgie
• Belgie
• Ardennen
• Belgie WTC
• België Hotels
• Belgie Cheaptickets
• Eliza was here
• België Campings

Nuttige links

België Foto's Kees Hulsen
België Verzamelgids (N)
Campersite België (N)
Fotoreportage België (N)
Gave Plaatsen In België (N)
Lies en Teije's Reiswebsite (N+E)
Recepten België (N)
Reisfotografie (N)
Reisinformatie België (N)
Reizendoejezo – België (N)
Romans over België (N)
Routeplanners België (N)
Telefoongids België
Voorpagina: Headlines Belgisch Nieuws (N)
Artikelen en Reisverhalen over BELGIE
  Stad Geel de barmhartige stede  Scheepslift van Strepy Thieu
  Ergonomie  De beste Belgische highlights
  Enkele tips voor een weekendje w..

Bronnen

België, een manier van leven
Lannoo

Europese Unie : vijftien landendocumentaties
Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs

The Stateman's Yearbook: the politics, cultures and economies of the world
Macmillan Press Limited

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt november 2014
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems